The R&A - Working for Golf
Ontwijken van abnormale baanomstandigheden (met inbegrip van vaste obstakels), situatie met gevaarlijke dieren, ingebedde bal
The Rules of Golf
Zie Spelerseditie
Ga naar paragraaf
16.1
a
b
c
d
e
f
16.2
a
b
16.3
a
b
16.4

Doel van de regel: Regel 16 beschrijft wanneer en hoe een speler een situatie zonder straf mag ontwijken door een bal van een andere plek te spelen, bijvoorbeeld wanneer hij in zijn spel wordt belemmerd door een abnormale baanomstandigheid of een situatie met gevaarlijke dieren.

  • Deze omstandigheden worden niet beschouwd als onderdeel van de uitdaging die bij het spelen van de baan hoort, daarom is ontwijken zonder straf meestal toegestaan, behalve in een hindernis.
  • Gewoonlijk doet de speler dat door een bal te droppen in een dropzone die wordt bepaald op basis van het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering.

Deze regel beschrijft ook de te volgen procedure bij het zonder straf ontwijken van de situatie waarin de bal van de speler in zijn eigen pitchmark is ingebed in het algemene gebied.

16.1
Abnormale baanomstandigheden (met inbegrip van vaste obstakels)

Deze regel beschrijft het zonder straf ontwijken van een belemmering door gaten gemaakt door een dier, grond in bewerking, vaste obstakels of tijdelijk water:

  • Deze omstandigheden worden gezamenlijk abnormale baanomstandigheden genoemd, waarbij ieder zijn eigen definitie heeft.
  • Deze regel gaat dus niet over het ontwijken van losse obstakels (daarvoor geldt een andere ontwijkprocedure zonder straf volgens Regel 15.2a) of van voorwerpen die buiten de baan markeren of die een integraal deel van de baan vormen (ontwijken zonder straf is hier niet toegestaan).
a
Wanneer ontwijken is toegestaan

(1) De betekenis van belemmering door abnormale baanomstandigheden. Er is sprake van een belemmering in ieder van de volgende gevallen:

  • De bal raakt of ligt in of op een abnormale baanomstandigheid.
  • Een abnormale baanomstandigheid belemmert fysiek de ruimte voor het innemen van de spelers stand of voorgenomen swing.
  • Alleen wanneer de bal op de green ligt: een abnormale baanomstandigheid op of naast de green belemmert de speellijn.

Als de abnormale baanomstandigheid zo dichtbij is dat de speler er weliswaar door wordt afgeleid, maar er niet wordt voldaan aan één van de bovengenoemde eisen, is er geen sprake van een belemmering volgens deze regel.

Zie ook de Commissie Procedures, Hoofdstuk 8; Voorbeeld plaatselijke regel F-6 (de Commissie kan een plaatselijke regel instellen op grond waarvan ontwijken zonder straf niet toegestaan is voor een abnormale baanomstandigheid die uitsluitend de ruimte voor de voorgenomen stand belemmert.

(2) Ontwijken is overal op de baan toegestaan behalve wanneer de bal in een hindernis ligt. Ontwijken van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid is uitsluitend toegestaan volgens Regel 16.1 wanneer aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • De abnormale baanomstandigheid bevindt zich op de baan (en niet buiten de baan). 
  • De bal ligt ergens op de baan, maar niet in een hindernis (daar kan alleen volgens Regel 17 worden ontweken).

(3) Ontwijken niet toegestaan wanneer het duidelijk onredelijk is de bal te spelen. Ontwijken is niet toegestaan volgens Regel 16.1:

  • Wanneer het spelen van de bal zoals hij ligt duidelijk onredelijk is vanwege iets anders dan de abnormale baanomstandigheid (bijvoorbeeld wanneer de speler in tijdelijk water of op een vast obstakel staat, maar geen slag kan doen door de ligging van de bal in een struik).
  • Wanneer de belemmering alleen maar bestaat doordat de speler een club, stand, swing of speelrichting kiest die onder de gegeven omstandigheden duidelijk onredelijk is.

[Clarification available:  Meaning of “Clearly Unreasonable to Play Ball” When Deciding If Relief Is Allowed]

Zie ook Commissie Procedures, Hoofdstuk 8, Voorbeeld plaatselijke regel F-23 (de Commissie kan een plaatselijke regel instellen die ontwijken zonder straf toestaat van een belemmering door tijdelijke vaste obstakels die zich op of buiten de baan bevinden).

b
Ontwijkprocedure voor een bal die in het algemene gebied ligt

Als de bal van de speler in het algemene gebied ligt en er is sprake van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid op de baan, mag de speler die belemmering zonder straf ontwijken door de oorspronkelijke bal of een andere bal te droppen in deze dropzone (zie Regel 14.3):

  • Referentiepunt: Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering in het algemene gebied.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: Eén clublengte, maar met de volgende beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone:
    • Moet in het algemene gebied liggen.
    • De dropzone mag niet dichter bij de hole zijn dan het referentiepunt.
    • De belemmering door de abnormale baanomstandigheid moet volledig ontweken worden.
c
Ontwijkprocedure voor een bal die in een bunker ligt

Als de bal in een bunker ligt en er is sprake van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid op de baan, heeft de speler de keuze om de belemmering te ontwijken zonder straf volgens (1) of deze te ontwijken met straf volgens (2):

(1) Ontwijken zonder straf: spelen vanuit de bunker. De speler mag de belemmering ontwijken zonder straf volgens Regel 16.1b, maar:

  • Zowel het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering als de dropzone moeten in de bunker zijn.
  • Als er geen dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering in de bunker is, mag de speler de belemmering ontwijken door als referentiepunt het punt met de minste belemmering in de bunker te nemen.

(2) Ontwijken met straf: spelen van buiten de bunker (recht naar achteren ontwijken). Met één strafslag mag de speler de oorspronkelijke bal of een andere bal droppen (zie Regel 14.3) in deze dropzone, langs de referentielijn die loopt vanaf de hole door de plek van de oorspronkelijke bal en verder naar achteren:

  • Referentiepunt: Een door de speler op de baan gekozen punt dat op de referentielijn ligt en verder van de hole is dan de plek van de oorspronkelijke bal (er is geen limiet aan hoe ver naar achteren op die lijn):
    • Bij het kiezen van dit referentiepunt behoort de speler dat punt te markeren met een voorwerp (zoals een tee).
    • Als de speler de bal dropt zonder dit referentiepunt te hebben bepaald, dan wordt het referentiepunt het punt op de referentielijn dat zich op gelijke afstand van de hole bevindt als het punt waar de gedropte bal het eerst de grond raakte.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: Eén clublengte, maar met de volgende beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone:
    • De dropzone mag niet dichter bij de hole zijn dan het referentiepunt.
    • De dropzone mag in ieder gebied van de baan zijn.
    • Als meer dan één gebied van de baan is gelegen binnen één clublengte van het referentiepunt, dan moet de bal na het droppen binnen de dropzone tot stilstand komen in hetzelfde gebied van de baan als waar de bal het eerst de grond raakte binnen die dropzone.
d
Ontwijkprocedure voor een bal die op de green ligt

Als de bal van de speler op de green ligt en er is sprake van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid binnen de baan, mag de speler die belemmering zonder straf ontwijken door zijn oorspronkelijke bal of een andere bal te plaatsen op de plek van het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering. Hij dient daarbij de procedure voor terugplaatsen te gebruiken volgens Regel 14.2b(2) en 14.2e.

  • Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering moet zich op de green bevinden of in het algemene gebied.
  • Als er geen dichtstbijzijnd punt zonder enige belemmering is, mag de speler de belemmering nog steeds ontwijken door als referentiepunt het punt met de minste belemmering te nemen. Dit punt moet zich op de green bevinden of in het algemene gebied.
e
Ontwijkprocedure als de bal niet wordt gevonden in of op een abnormale baanomstandigheid

Als de bal van een speler niet wordt gevonden, terwijl het bekend of praktisch zeker is dat deze binnen de baan in of op een abnormale baanomstandigheid terecht is gekomen, mag de speler ervoor kiezen deze situatie als volgt te ontwijken in plaats van de procedure van slag en afstand toe te passen:

  • De speler mag de situatie volgens Regel 16.1b, c of d ontwijken. Dat doet hij door het punt waar de bal voor het laatst de grens van de abnormale baanomstandigheid binnen de baan heeft gekruist bij benadering vast te stellen en dit te beschouwen als de plek van de bal voor het vaststellen van het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering.
  • Zodra de speler een andere bal in het spel heeft gebracht om deze situatie te ontwijken:
    • Is de oorspronkelijke bal niet langer in het spel en mag niet meer worden gespeeld.
    • Dit is ook het geval als deze vervolgens op de baan wordt gevonden voordat de zoektijd van drie minuten voorbij is (zie Regel 6.3b).

Echter, als niet bekend of praktisch zeker is dat de bal in of op een abnormale baanomstandigheid tot stilstand is gekomen en de bal is verloren, moet de speler de procedure van slag en afstand toepassen volgens Regel 18.2.

f
Verplicht ontwijken van een belemmering door een verboden speelzone binnen een abnormale baanomstandigheid

In elk van de volgende situaties mag de bal niet worden gespeeld zoals hij ligt:

(1) Wanneer de bal in een verboden speelzone ligt. Als de bal in een verboden speelzone in of op een abnormale baanomstandigheid ligt in het algemene gebied, in een bunker of op de green:

  • Verboden speelzone in het algemene gebied. De speler moet de situatie zonder straf ontwijken volgens Regel 16.1b.
  • Verboden speelzone in een bunker. De speler moet de situatie met of zonder straf ontwijken volgens Regel 16.1c(1) of (2).
  • Verboden speelzone op een green. De speler moet de situatie zonder straf ontwijken volgens Regel 16.1d.

(2) Wanneer een verboden speelzone een belemmering vormt voor stand of swing voor een bal ergens op de baan maar niet in een hindernis. Als de bal buiten een verboden speelzone ligt en in het algemene gebied, in een bunker of op de green ligt en een verboden speelzone (ongeacht of die zone zich binnen een abnormale baanomstandigheid of in een hindernis bevindt) belemmert de speler in zijn ruimte voor zijn voorgenomen stand of swing, dan moet de speler:

  • de situatie ontwijken als dat is toegestaan volgens Regel 16.1c, d of e, afhankelijk van of de bal in het algemene gebied, in een bunker of op de green ligt, of
  • handelen volgens een van de opties voor een onspeelbare bal volgens Regel 19.

Voor hoe te handelen wanneer sprake is van een belemmering door een verboden speelzone als de bal in een hindernis ligt, zie Regel 17.1e.

Straf voor het spelen van een verkeerde plaats in overtreding van Regel 16.1: algemene straf volgens Regel 14.7a.

16.2
Situatie met gevaarlijke dieren ontwijken
a
Wanneer ontwijken is toegestaan

Er is sprake van een “situatie met gevaarlijke dieren” wanneer door de aanwezigheid van een gevaarlijk dier (zoals giftige slangen, agressieve bijen, alligators, rode bosmieren of beren) in de nabijheid van een bal de mogelijkheid bestaat dat een speler ernstige fysieke verwondingen oploopt als hij die bal zou spelen zoals hij ligt.

Een speler mag een situatie met gevaarlijke dieren ontwijken volgens Regel 16.2b, ongeacht waar op de baan zijn bal ligt. Echter ontwijken is niet toegestaan wanneer:

  • Het spelen van de bal zoals hij ligt duidelijk onredelijk is vanwege iets anders dan een situatie met gevaarlijke dieren (bijvoorbeeld wanneer de speler geen slag kan doen door de ligging van de bal in een struik).
  • De belemmering alleen maar bestaat doordat de speler een club, stand, swing of speelrichting kiest die onder de gegeven omstandigheden duidelijk onredelijk is.
b
Ontwijken van een situatie met gevaarlijke dieren

Wanneer er sprake is van een belemmering door een situatie met gevaarlijke dieren:

(1) Wanneer de bal ergens op de baan ligt maar niet in een hindernis. De speler mag de situatie ontwijken volgens Regel 16.1b, c of d afhankelijk van of de bal in het algemene gebied, in een bunker of op de green ligt.

(2) Wanneer de bal in een hindernis ligt. De speler mag de situatie met of zonder straf ontwijken:

  • Ontwijken zonder straf: Spelen vanuit de hindernis. De speler mag de situatie zonder straf ontwijken volgens Regel 16.1b, maar het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering en de dropzone moeten binnen de hindernis zijn.
  • Ontwijken met straf: Spelen van buiten de hindernis.
    • De speler mag de situatie met straf ontwijken volgens Regel 17.1d.
    • Als de belemmering door de situatie met gevaarlijke dieren nadat de hindernis met straf is ontweken nog steeds bestaat, dan mag de speler deze situatie verder ontwijken volgens punt (1) hierboven zonder extra straf.

Voor toepassing van deze regel wordt met het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering (niet dichter bij de hole) het punt bedoeld waar de situatie met gevaarlijke dieren niet bestaat.

Straf voor het spelen van een verkeerde plaats in overtreding van Regel 16.2: algemene straf volgens Regel 14.7a.

16.3
Ingebedde bal
a
Wanneer ontwijken is toegestaan

(1) De bal moet zijn ingebed in het algemene gebied. Ontwijken is alleen toegestaan volgens Regel 16.3b wanneer de bal van een speler is ingebed in het algemene gebied.

  • Ontwijken is niet toegestaan volgens deze regel als de bal ergens anders is ingebed dan in het algemene gebied.
  • Echter als de bal is ingebed op de green, mag de speler de plek van de bal markeren, de bal opnemen en schoonmaken en de schade veroorzaakt door de inslag van de bal repareren. De bal moet vervolgens worden teruggeplaatst op zijn oorspronkelijke plek (zie Regel 13.1c(2)).

Uitzonderingen – Wanneer ontwijken niet is toegestaan voor een ingebedde bal in het algemene gebied: Ontwijken volgens Regel 16.3b is niet toegestaan:

  • Wanneer de bal is ingebed in zand in een gedeelte van het algemene gebied waar het gras niet op fairwayhoogte of korter is gemaaid.
  • Wanneer belemmering door iets anders dan het feit dat de bal is ingebed het doen van een slag duidelijk onredelijk maakt (bijvoorbeeld wanneer de speler geen slag kan doen door de ligging van de bal in een struik).

(2) Vaststellen of de bal is ingebed. Een bal is alleen ingebed als:

  • hij in zijn eigen pitchmark ligt die het gevolg is van de vorige slag van de speler, en
  • een deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Als de speler niet met zekerheid kan vaststellen of de bal in zijn eigen pitchmark ligt of in een pitchmark veroorzaakt door een andere bal, mag de speler de bal als ingebed beschouwen als het op grond van de beschikbare informatie redelijk is te concluderen dat de bal in zijn eigen pitchmark ligt.

Een bal is niet ingebed, als hij onder het grondoppervlak ligt als gevolg van iets anders dan de vorige slag van de speler, zoals wanneer:

  • De bal de grond in is geduwd doordat iemand erop is gaan staan.
  • De bal direct de grond in is geslagen zonder dat deze eerst door de lucht heeft gevlogen.
  • De bal is gedropt bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel.
b
Ontwijkprocedure bij een ingebedde bal

Wanneer de bal van een speler is ingebed in het algemene gebied en ontwijken is toegestaan volgens Regel 16.3a, mag de speler die situatie zonder straf ontwijken door de oorspronkelijke bal of een andere bal te droppen in deze dropzone (zie Regel 14.3):

  • Referentiepunt: De plek direct achter waar de bal is ingebed.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: Eén clublengte, maar met de volgende beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone:
    • De dropzone moet in het algemene gebied zijn.
    • De dropzone mag niet dichter bij de hole zijn dan het referentiepunt.

[Clarification available: Player Not Always Allowed to Take Embedded Ball Relief]

Zie Commissie procedures, Hoofdstuk 8, Voorbeeld plaatselijke regel F-2 (de Commissie kan een plaatselijke regel instellen, die ontwijken van een ingebedde bal uitsluitend toestaat in een gebied dat op fairwayhoogte of korter is gemaaid).

Straf voor het spelen van een bal van een verkeerde plaats in overtreding van Regel 16.3: algemene straf volgens Regel 14.7a.

16.4
De bal opnemen om te kijken of er sprake is van een situatie waarbij ontwijken is toegestaan

Als een speler redelijkerwijs van mening is dat zijn bal zich in een situatie bevindt waarbij zonder straf ontwijken is toegestaan volgens Regel 15.2, 16.1 of 16.3, maar dat niet kan vaststellen zonder zijn bal op te nemen:

  • Mag de speler zijn bal opnemen om te zien of ontwijken van de situatie is toegestaan, maar
  • de plek van de bal moet eerst worden gemarkeerd en de opgenomen bal mag niet worden schoongemaakt (behalve op de green) (zie Regel 14.1).

Als de speler zijn bal opneemt zonder deze redelijke overtuiging (behalve op de green, waar hij zijn bal mag opnemen volgens Regel 13.1b), krijgt hij één strafslag.

Als ontwijken is toegestaan en de speler van deze mogelijkheid gebruikmaakt, volgt er geen straf, ook niet in het geval de speler voor het opnemen van zijn bal de plek van de bal niet heeft gemarkeerd of de opgenomen bal heeft schoongemaakt.

Als ontwijken niet is toegestaan of als de speler ervoor kiest een situatie niet te ontwijken terwijl dat wel is toegestaan:

  • Krijgt de speler één strafslag als hij de bal niet heeft gemarkeerd voordat hij die opnam of als hij de opgenomen bal heeft schoongemaakt wanneer dat niet is toegestaan.
  • Moet de bal worden teruggeplaatst op zijn oorspronkelijke plek (zie Regel 14.2).

Straf voor het spelen van een vervangende bal die in strijd met de regels is ingebracht of het spelen van een verkeerde plaats in overtreding van Regel 16.4: algemene straf volgens Regel  6.3b of 14.7a.

Wanneer meerdere regelovertredingen het gevolg zijn van een enkele handeling of van gerelateerde handelingen, zie Regel 1.3c(4).

Gat gemaakt door een dier

Elk gat door een dier in de grond gegraven, behalve gaten gegraven door dieren die ook zijn gedefinieerd als losse natuurlijke voorwerpen (zoals wormen of insecten).

Het begrip gat gemaakt door een dier omvat:

  • het losse materiaal dat het dier uit het gat heeft gegraven; 
  • elk uitgesleten spoor of pad dat naar het gat leidt, en
  • elk gebied op de grond dat omhoog is geduwd of veranderd, doordat het dier het gat onder de grond heeft gegraven.

 

Interpretation Animal Hole/1 - Isolated Animal Footprint or Hoof Mark Is Not Animal Hole

An isolated animal footprint that is not leading into an animal hole is not a hole made by an animal but rather is an irregularity of the surface from which relief without penalty is not allowed. However, when such damage is on the putting green, it may be repaired (Rule 13.1c(2) - Improvements Allowed on Putting Green).

Grond in bewerking - Ground Under Repair

Elk deel van de baan dat door de Commissie tot grond in bewerking is verklaard (door het te markeren of op een andere manier aan te duiden). Onderdeel van deze grond in bewerking is ook:

  • Alle grond binnen de grenzen van het aangewezen gebied.
  • Al het gras en elke struik, boom of andere vastzittende begroeiing in het aangewezen gebied, met inbegrip van enig onderdeel van deze begroeiing die buiten het gedefinieerde gebied boven de grond uitsteekt, uitgezonderd zijn delen (zoals boomwortels) die vast ingebed zijn in de grond of zich onder het grondoppervlak bevinden en zich buiten de grens van het gedefinieerde gebied bevinden.

Grond in bewerking omvat ook de volgende zaken, zelfs als de Commissie deze niet als zodanig heeft vastgesteld:

  • Elk gat gemaakt door de Commissie of het baanpersoneel om:
    • De baan in te richten (zoals een gat waar een paal is verwijderd of de hole op een dubbele green die wordt gebruikt bij het spelen van een andere hole).
    • De baan te onderhouden (zoals een gat gemaakt bij het verwijderen van graszoden of een boomstronk of om leidingen te leggen, met uitzondering van beluchtingsgaten).
  • Maaisel, bladeren en elk ander materiaal dat is opgehoopt om later te verwijderen, Maar:
    • Alle natuurlijke materialen opgehoopt om te verwijderen zijn ook losse natuurlijke voorwerpen.
    • Alle materialen die op de baan zijn achtergelaten zonder de bedoeling ze op te ruimen zijn geen grond in bewerking, tenzij de Commissie ze als zodanig heeft gedefinieerd.
  • Enig leefgebied (habitat) van dieren (zoals een vogelnest) dat zich zo dicht bij de bal bevindt dat de stand of slag van de speler het zou kunnen beschadigen, behalve wanneer het leefgebieden (habitats) betreft van dieren die als losse natuurlijke voorwerpen zijn gedefinieerd (zoals wormen en insecten).

De grens van grond in bewerking behoort te worden gemarkeerd door palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: In het geval van palen wordt de grens van de grond in bewerking bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de grond in bewerking) van die palen op grondhoogte en staan de palen zelf in de grond in bewerking.
  • Lijnen: In het geval van geverfde lijnen op de grond is de grens van de grond in bewerking de buitenkant (gezien vanuit de grond in bewerking) van die lijnen en zijn die lijnen zelf in de grond in bewerking.
  • Fysieke kenmerken: Fysieke kenmerken: In het geval van fysieke kenmerken (zoals een bloemenperk of een graskwekerij), is het aan de Commissie om aan te geven hoe de grens van grond in bewerking is bepaald.

Wanneer de grens van grond in bewerking is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken mogen palen worden gebruikt om te laten zien waar de grond in bewerking zich bevindt, maar deze hebben geen andere betekenis.

 

Interpretation Ground Under Repair/1 - Damage Caused by Committee or Maintenance Staff Is Not Always Ground Under Repair

A hole made by maintenance staff is ground under repair even when not marked as ground under repair. However, not all damage caused by maintenance staff is ground under repair by default.

Examples of damage that is not ground under repair by default include:

  • A rut made by a tractor (but the Committee is justified in declaring a deep rut to be ground under repair).
  • An old hole plug that is sunk below the putting green surface, but see Rule 13.1c (Improvements Allowed on Putting Green).

Interpretation Ground Under Repair/2 - Ball in Tree Rooted in Ground Under Repair Is in Ground Under Repair

If a tree is rooted in ground under repair and a player's ball is in a branch of that tree, the ball is in ground under repair even if the branch extends outside the defined area.

If the player decides to take free relief under Rule 16.1 and the spot on the ground directly under where the ball lies in the tree is outside the ground under repair, the reference point for determining the relief area and taking relief is that spot on the ground.

Interpretation Ground Under Repair/3 - Fallen Tree or Tree Stump Is Not Always Ground Under Repair

A fallen tree or tree stump that the Committee intends to remove, but is not in the process of being removed, is not automatically ground under repair. However, if the tree and the tree stump are in the process of being unearthed or cut up for later removal, they are "material piled for later removal" and therefore ground under repair.

For example, a tree that has fallen in the general area and is still attached to the stump is not ground under repair. However, a player could request relief from the Committee and the Committee would be justified in declaring the area covered by the fallen tree to be ground under repair.

Vast obstakel

Elk obstakel dat:

  • Niet kan worden bewogen zonder onredelijke inspanning of zonder beschadiging van het obstakel of de baan, en
  • Verder niet voldoet aan de definitie van een los obstakel.

De Commissie kan elk obstakel tot een vast obstakel verklaren, zelfs als het voldoet aan de definitie van een los obstakel.

 

Interpretation Immovable Obstruction/1 - Turf Around Obstruction Is Not Part of Obstruction

Any turf that is leading to an immovable obstruction or covering an immovable obstruction, is not part of the obstruction.

For example, a water pipe is partly underground and partly above ground. If the pipe that is underground causes the turf to be raised, the raised turf is not part of the immovable obstruction.

Tijdelijk water

Iedere tijdelijke concentratie van water op de grond (zoals regen- of beregeningsplassen of plassen als gevolg van het overlopen van enige waterpartij) die:

  • zich buiten een hindernis bevindt, en
  • zichtbaar is voor of nadat de speler een stand inneemt (zonder daarbij overdreven met zijn of haar voeten druk uit te oefenen op de grond).

Het is niet voldoende als de grond alleen nat, modderig of zacht is of dat er alleen even water zichtbaar is als de speler op de grond stapt; Er moet een concentratie van water zichtbaar blijven voor of nadat de stand is ingenomen.

Bijzonderheden:

  • Dauw en rijp zijn geen tijdelijk water.
  • Sneeuw en natuurlijk ijs (behalve rijp) zijn losse natuurlijke voorwerpen of, wanneer ze op de grond liggen, tijdelijk water, naar keuze van de speler.
  • Gefabriceerd ijs is een obstakel.
Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Los obstakel

Een obstakel dat met een redelijke inspanning kan worden verplaatst zonder het obstakel of de baan te beschadigen.

Als een deel van een vast obstakel of integraal deel van de baan (zoals een poort of deur of een deel van een vastzittende kabel) voldoet aan deze twee eisen, wordt dat deel beschouwd als een los obstakel.

Echter dit is niet van toepassing als het losse deel van een vast obstakel of integraal deel van de baan niet bedoeld is om te bewegen (zoals een losse steen in een stenen muur).

Zelfs wanneer een obstakel los is, kan de Commissie deze aanwijzen als vast obstakel.

 

Interpretation Movable Obstruction/1 - Abandoned Ball Is a Movable Obstruction

An abandoned ball is a movable obstruction.

Out-of-bounds markering - Boundary Object

Kunstmatige voorwerpen die buiten de baan (out-of-bounds) markeren of aangeven, zoals muren, omheiningen, palen en hekken waarvan ontwijken zonder straf niet is toegestaan.

Daarbij hoort ook elke voet of paal van een omheining die buiten de baan aangeeft, maar niet:

  • schuinstaande schoren of tuidraden die zijn bevestigd aan een muur of omheining, of
  • enige opstap of trap, brug of soortgelijke constructie die gebruikt wordt om over de muur of omheining te kunnen komen.

Out-of-bounds markeringen worden beschouwd als vast, zelfs als ze los staan of een onderdeel ervan los zit (zie Regel 8.1a).

Out-of-bounds markeringen zijn geen obstakels of integrale delen van de baan.

 

Interpretation Boundary Object/1 – Status of Attachments to Boundary Object

Objects that are attached to a boundary object, but are not part of that boundary object, are obstructions and a player may be allowed free relief from them.

If the Committee does not wish to provide free relief from an obstruction attached to a boundary object, it may introduce a Local Rule providing that the obstruction is an integral object, in which case it loses its status as an obstruction and free relief is not allowed.

For example, if angled supports are so close to a boundary fence that leaving the supports as obstructions would essentially give players free relief from the boundary object, the Committee may choose to define the supports to be integral objects.

Interpretation Boundary Object/2 - Status of Gate Attached to Boundary Object

A gate for getting through a boundary wall or fence is not part of the boundary object. Such a gate is an obstruction unless the Committee chooses to define it as an integral object.

Interpretation Boundary Object/3 - Movable Boundary Object or Movable Part of Boundary Object Must Not Be Moved

Boundary objects are treated as immovable, even if part of the object is designed to be movable. To ensure a consistent approach, this applies to all boundary objects.

An example of how a movable boundary object may come into play during a round includes when a boundary stake interferes with a player's stance so he or she pulls the stake out of the ground (a breach of Rule 8.1a), but part of it breaks during removal. If the player realizes the mistake before making the next stroke, he or she may restore the improved conditions by replacing enough of the broken boundary stake to restore the interference to what it was before the stake was removed.

But if the improvement cannot be eliminated (such as when a boundary object has been bent or broken in such a way that the improvement cannot be eliminated), the player cannot avoid penalty.

Integraal deel van de baan

Een kunstmatig object dat door de Commissie verklaard is een onderdeel te vormen van de uitdaging van het spelen van de baan waarvan ontwijken zonder straf niet is toegestaan.

Integrale delen van de baan worden als vast beschouwd (zie Regel 8.1a), maar als een deel van een integraal deel van de baan (zoals een poort of deur of een deel van een vastzittende kabel) voldoet aan de definitie van een los obstakel, wordt dat deel beschouwd als een los obstakel.

Kunstmatige objecten die door de Commissie tot integraal deel van de baan zijn verklaard, zijn geen obstakels of out-of-bounds markeringen.

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Stand

De positie van voeten en lichaam van de speler in voorbereiding op en voor het doen van een slag.

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Speellijn

De lijn waarlangs de speler zijn of haar bal wil laten gaan na een slag plus een redelijke ruimte boven de grond en aan beide zijden van deze lijn.

De speellijn is niet noodzakelijkerwijs een rechte lijn tussen twee punten (het kan bijvoorbeeld een gebogen lijn zijn afhankelijk van de baan die de speler zijn bal wil laten afleggen).

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Commissie

De persoon of groep verantwoordelijk voor de wedstrijd of de baan.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 1 (uitleg van de rol van de Commissie).

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Stand

De positie van voeten en lichaam van de speler in voorbereiding op en voor het doen van een slag.

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Buiten de baan

Het hele gebied buiten de grens van de baan zoals gemarkeerd door de Commissie. Alle gebieden binnen deze grens maken deel uit van de baan.

De grens van de baan loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grens van de baan deel zijn van de baan, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens van de baan bevindt (zoals een trap verbonden met een hek dat buiten de baan aangeeft of een boom die buiten de baan staat maar takken binnen de baan heeft of vice versa), dan is alleen dat deel van het voorwerp dat zich buiten de grens bevindt buiten de baan.

De grens van buiten de baan behoort gemarkeerd te zijn met out-of-bounds markeringen of lijnen:

  • Out-of-bounds markeringen: Wanneer de grens van de baan wordt gemarkeerd door palen of omheiningen dan wordt de grenslijn van buiten de baan bepaald door de lijn tussen die punten van de palen of staanders die zich op grondhoogte aan de baanzijde bevinden (schuinstaande schoren niet meegerekend) en dus staan die palen of staanders zelf buiten de baan.
    Wanneer de grenslijn wordt gedefinieerd door andere voorwerpen, zoals een muur of wanneer de Commissie een out-of-bounds markering op een andere manier wil behandelen, dan behoort de Commissie de grens van buiten de baan te vast te stellen.
  • Lijnen: In het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens bepaald door de binnenkant van die lijnen aan de kant van de baan en zijn die lijnen zelf buiten de baan.
    Wanneer de grens van de baan wordt aangegeven met een lijn op de grond, dan kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de grens van de baan zich ongeveer bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Palen of lijnen die buiten de baan aangeven behoren wit te zijn.

Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Tijdelijk water

Iedere tijdelijke concentratie van water op de grond (zoals regen- of beregeningsplassen of plassen als gevolg van het overlopen van enige waterpartij) die:

  • zich buiten een hindernis bevindt, en
  • zichtbaar is voor of nadat de speler een stand inneemt (zonder daarbij overdreven met zijn of haar voeten druk uit te oefenen op de grond).

Het is niet voldoende als de grond alleen nat, modderig of zacht is of dat er alleen even water zichtbaar is als de speler op de grond stapt; Er moet een concentratie van water zichtbaar blijven voor of nadat de stand is ingenomen.

Bijzonderheden:

  • Dauw en rijp zijn geen tijdelijk water.
  • Sneeuw en natuurlijk ijs (behalve rijp) zijn losse natuurlijke voorwerpen of, wanneer ze op de grond liggen, tijdelijk water, naar keuze van de speler.
  • Gefabriceerd ijs is een obstakel.
Vast obstakel

Elk obstakel dat:

  • Niet kan worden bewogen zonder onredelijke inspanning of zonder beschadiging van het obstakel of de baan, en
  • Verder niet voldoet aan de definitie van een los obstakel.

De Commissie kan elk obstakel tot een vast obstakel verklaren, zelfs als het voldoet aan de definitie van een los obstakel.

 

Interpretation Immovable Obstruction/1 - Turf Around Obstruction Is Not Part of Obstruction

Any turf that is leading to an immovable obstruction or covering an immovable obstruction, is not part of the obstruction.

For example, a water pipe is partly underground and partly above ground. If the pipe that is underground causes the turf to be raised, the raised turf is not part of the immovable obstruction.

Slag

De voorwaartse beweging van de club om de bal te slaan.

Echter er is geen slag gedaan als de speler:

  • Tijdens de neerzwaai bewust besluit om de bal niet te slaan en dit ook voorkomt door de kop van de club tegen te houden voordat deze bij de bal komt of, als dit niet lukt, in ieder geval opzettelijk de bal mist.
  • Per ongeluk de bal raakt bij het maken van een oefenswing of in de voorbereiding om een slag te doen.

Wanneer er in de regels wordt gesproken over "het spelen van een bal", dan betekent dit hetzelfde als het doen van een slag.

De score van een speler voor een hole of een ronde wordt met ‘slagen’ of ‘aantal slagen’ aangegeven, wat zowel het aantal gespeelde slagen als de opgelopen strafslagen omvat (zie Regel 3.1c).

 

Interpretation Stroke/1 - Determining If a Stroke Was Made

If a player starts the downswing with a club intending to strike the ball, his or her action counts as a stroke when:

  • The clubhead is deflected or stopped by an outside influence (such as the branch of a tree) whether or not the ball is struck.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, whether or not the ball is struck with the shaft.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, with the clubhead falling and striking the ball.

The player's action does not count as a stroke in each of following situations:

  • During the downswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player stops the downswing short of the ball, but the clubhead falls and strikes and moves the ball.
  • During the backswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player completes the downswing with the shaft but does not strike the ball.
  • A ball is lodged in a tree branch beyond the reach of a club. If the player moves the ball by striking a lower part of the branch instead of the ball, Rule 9.4 (Ball Lifted or Moved by Player) applies.
Stand

De positie van voeten en lichaam van de speler in voorbereiding op en voor het doen van een slag.

Commissie

De persoon of groep verantwoordelijk voor de wedstrijd of de baan.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 1 (uitleg van de rol van de Commissie).

Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering

Het referentiepunt voor het ontwijken zonder straf van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid (Regel 16.1), een situatie met gevaarlijke dieren (Regel 16.2), een verkeerde green (Regel 13.1f) of een verboden speelzone (Regel 16.1f en 17.1e) of bij het handelen volgens een plaatselijke regel.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar, als de bal daar zou liggen, de belemmering die de speler wil ontwijken niet meer bestaat voor de slag zoals de speler die op de oorspronkelijke plek, zonder de belemmering, zou hebben gedaan.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering heeft alleen betrekking op de belemmering die de speler wil ontwijken en kan zich op een plek bevinden waar iets anders voor hinder zorgt:

  • Als de speler de belemmering ontwijkt en dan last heeft van een andere belemmering die mag worden ontweken, dan mag de speler opnieuw een dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering bepalen om deze nieuwe belemmering te ontwijken.
  • De belemmeringen moeten apart worden ontweken, behalve dat de speler de belemmeringen gezamenlijk in één keer mag ontwijken (door het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering voor beide belemmeringen te bepalen) wanneer het, na al een keer beide belemmeringen apart te hebben ontweken, redelijkerwijs duidelijk wordt dat hiermee doorgaan voortdurend leidt tot hinder door een van deze belemmeringen.

 

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/1 - Diagrams Illustrating Nearest Point of Complete Relief

In the diagrams, the term "nearest point of complete relief" in Rule 16.1 (Abnormal Course Conditions) for relief from interference by ground under repair is illustrated in the case of both a right-handed and a left-handed player.

The nearest point of complete relief must be strictly interpreted. A player is not allowed to choose on which side of the ground under repair the ball will be dropped, unless there are two equidistant nearest points of complete relief. Even if one side of the ground under repair is fairway and the other is bushes, if the nearest point of complete relief is in the bushes, then that is the player's nearest point of complete relief.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/2 – Player Does Not Follow Recommended Procedure in Determining Nearest Point of Complete Relief

Although there is a recommended procedure for determining the nearest point of complete relief, the Rules do not require a player to determine this point when taking relief under a relevant Rule (such as when taking relief from an abnormal course condition under Rule 16.1b (Relief for Ball in General Area)). If a player does not determine a nearest point of complete relief accurately or identifies an incorrect nearest point of complete relief, the player only gets a penalty if this results in him or her dropping a ball into a relief area that does not satisfy the requirements of the Rule and the ball is then played.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/3 – Whether Player Has Taken Relief Incorrectly If Condition Still Interferes for Stroke with Club Not Used to Determine Nearest Point of Complete Relief

When a player is taking relief from an abnormal course condition, he or she is taking relief only for interference that he or she had with the club, stance, swing and line of play that would have been used to play the ball from that spot. After the player has taken relief and there is no longer interference for the stroke the player would have made, any further interference is a new situation.

For example, the player's ball lies in heavy rough in the general area approximately 230 yards from the green. The player selects a wedge to make the next stroke and finds that his or her stance touches a line defining an area of ground under repair. The player determines the nearest point of complete relief and drops a ball in the prescribed relief area according to Rule 14.3b(3) (Ball Must Be Dropped in Relief Area) and Rule 16.1 (Relief from Abnormal Course Conditions).

The ball rolls into a good lie within the relief area from where the player believes that the next stroke could be played with a 3-wood. If the player used a wedge for the next stroke there would be no interference from the ground under repair. However, using the 3-wood, the player again touches the line defining the ground under repair with his or her foot. This is a new situation and the player may play the ball as it lies or take relief for the new situation.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/4 - Player Determines Nearest Point of Complete Relief but Is Physically Unable to Make Intended Stroke

The purpose of determining the nearest point of complete relief is to find a reference point in a location that is as near as possible to where the interfering condition no longer interferes. In determining the nearest point of complete relief, the player is not guaranteed a good or playable lie.

For example, if a player is unable to make a stroke from what appears to be the required relief area as measured from the nearest point of complete relief because either the direction of play is blocked by a tree, or the player is unable to take the backswing for the intended stroke due to a bush, this does not change the fact that the identified point is the nearest point of complete relief.

After the ball is in play, the player must then decide what type of stroke he or she will make. This stroke, which includes the choice of club, may be different than the one that would have been made from the ball's original spot had the condition not been there.

If it is not physically possible to drop the ball in any part of the identified relief area, the player is not allowed relief from the condition.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/5 - Player Physically Unable to Determine Nearest Point of Complete Relief

If a player is physically unable to determine his or her nearest point of complete relief, it must be estimated, and the relief area is then based on the estimated point.

For example, in taking relief under Rule 16.1, a player is physically unable to determine the nearest point of complete relief because that point is within the trunk of a tree or a boundary fence prevents the player from adopting the required stance.

The player must estimate the nearest point of complete relief and drop a ball in the identified relief area.

If it is not physically possible to drop the ball in the identified relief area, the player is not allowed relief under Rule 16.1.

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Clublengte

De lengte van de langste club van de 14 (of minder) clubs die de speler bij zich heeft tijdens de ronde (zoals toegestaan in Regel 4.1b(1)) anders dan een putter.

Bijvoorbeeld als de langste club (anders dan een putter) die een speler bij zich heeft tijdens een ronde een driver is van 43 inch (109,22 cm), dan is 43 inch (109,22 cm) de clublengte voor die speler voor die ronde.

Clublengtes worden gebruikt om de afslagplaats te bepalen op de hole die wordt gespeeld en de afmeting van de dropzone vast te stellen als de speler een belemmering ontwijkt volgens een Regel.

 

Interpretation Club-Length/1 - Meaning of "Club-Length" When Measuring

For the purposes of measuring when determining a relief area, the length of the entire club, starting at the toe of the club and ending at the butt end of the grip is used. However, if the club has a headcover on it or has an attachment to the end of the grip, neither is allowed to be used as part of the club when using it to measure.

Interpretation Club-Length/2 - How to Measure When Longest Club Breaks

If the longest club a player has during a round breaks, that broken club continues to be used for determining the size of his or her relief areas. However, if the longest club breaks and the player is allowed to replace it with another club (Exception to Rule 4.1b(3)) and he or she does so, the broken club is no longer considered his or her longest club.

If the player starts a round with fewer than 14 clubs and decides to add another club that is longer than the clubs he or she started with, the added club is used for measuring so long as it is not a putter.

Clarification - Meaning of “Club-Length” When Playing with Partner

In partner forms of play, either partner’s longest club, except a putter, may be used for defining the teeing area or determining the size of a relief area.
(Clarification added 12/2018)

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Hole

Het eindpunt op de green van de hole die wordt gespeeld:

  • De hole moet 4¼ inches (108 mm) in diameter zijn en ten minste 4 inches (101,6 mm) diep.
  • Als een inzetstuk wordt gebruikt, mag de buitendiameter niet groter zijn dan 4¼ inches (108 mm). Het inzetstuk moet ten minste 1 inch (25,4 mm) onder het oppervlak van de green liggen, tenzij de gesteldheid van de bodem vereist dat deze dichter bij het oppervlak zit.

Het woord “hole” wordt (wanneer niet gebruikt als een cursiefgedrukte definitie) in de regels gebruikt als het onderdeel van de baan dat bestaat uit een specifieke afslagplaats, green en hole. Het spelen van een hole begint op de afslagplaats en eindigt wanneer de bal is uitgeholed op de green (of wanneer de hole anders is uitgespeeld volgens de regels).

 

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Bunker

Een speciaal bewerkt gebied met zand dat vaak een kuil is waaruit gras of aarde is verwijderd.

Geen onderdeel van de bunker zijn:

  • De lip, muur of wand aan de rand van een bewerkt gebied bestaand uit aarde, gras, gestapelde graszoden of kunstmatig materiaal.
  • Aarde of enige levende of vastzittende begroeiing binnen de grenzen van een bewerkt gebied (zoals gras, struiken of bomen).
  • Zand dat over de grens van het bewerkte gebied heen of daarbuiten ligt.
  • Alle andere gebieden met zand op de baan die niet binnen de grenzen van een bewerkt gebied liggen (zoals woestijn en andere natuurlijke gebieden met zand of gebieden die ook wel "waste areas" worden genoemd).

Bunkers zijn een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Een Commissie mag een bewerkt gebied met zand verklaren tot onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is) of mag een niet-bewerkt gebied met zand verklaren tot bunker.

Wanneer een bunker wordt hersteld en de Commissie de hele bunker tot grond in bewerking verklaart, wordt deze beschouwd als onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is).

Het woord "zand", zoals gebruikt in deze definitie en Regel 12 omvat elk materiaal vergelijkbaar met zand dat is gebruikt als bunkermateriaal (zoals gemalen schelpen) en ook elk soort grond dat is vermengd met zand.

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering

Het referentiepunt voor het ontwijken zonder straf van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid (Regel 16.1), een situatie met gevaarlijke dieren (Regel 16.2), een verkeerde green (Regel 13.1f) of een verboden speelzone (Regel 16.1f en 17.1e) of bij het handelen volgens een plaatselijke regel.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar, als de bal daar zou liggen, de belemmering die de speler wil ontwijken niet meer bestaat voor de slag zoals de speler die op de oorspronkelijke plek, zonder de belemmering, zou hebben gedaan.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering heeft alleen betrekking op de belemmering die de speler wil ontwijken en kan zich op een plek bevinden waar iets anders voor hinder zorgt:

  • Als de speler de belemmering ontwijkt en dan last heeft van een andere belemmering die mag worden ontweken, dan mag de speler opnieuw een dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering bepalen om deze nieuwe belemmering te ontwijken.
  • De belemmeringen moeten apart worden ontweken, behalve dat de speler de belemmeringen gezamenlijk in één keer mag ontwijken (door het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering voor beide belemmeringen te bepalen) wanneer het, na al een keer beide belemmeringen apart te hebben ontweken, redelijkerwijs duidelijk wordt dat hiermee doorgaan voortdurend leidt tot hinder door een van deze belemmeringen.

 

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/1 - Diagrams Illustrating Nearest Point of Complete Relief

In the diagrams, the term "nearest point of complete relief" in Rule 16.1 (Abnormal Course Conditions) for relief from interference by ground under repair is illustrated in the case of both a right-handed and a left-handed player.

The nearest point of complete relief must be strictly interpreted. A player is not allowed to choose on which side of the ground under repair the ball will be dropped, unless there are two equidistant nearest points of complete relief. Even if one side of the ground under repair is fairway and the other is bushes, if the nearest point of complete relief is in the bushes, then that is the player's nearest point of complete relief.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/2 – Player Does Not Follow Recommended Procedure in Determining Nearest Point of Complete Relief

Although there is a recommended procedure for determining the nearest point of complete relief, the Rules do not require a player to determine this point when taking relief under a relevant Rule (such as when taking relief from an abnormal course condition under Rule 16.1b (Relief for Ball in General Area)). If a player does not determine a nearest point of complete relief accurately or identifies an incorrect nearest point of complete relief, the player only gets a penalty if this results in him or her dropping a ball into a relief area that does not satisfy the requirements of the Rule and the ball is then played.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/3 – Whether Player Has Taken Relief Incorrectly If Condition Still Interferes for Stroke with Club Not Used to Determine Nearest Point of Complete Relief

When a player is taking relief from an abnormal course condition, he or she is taking relief only for interference that he or she had with the club, stance, swing and line of play that would have been used to play the ball from that spot. After the player has taken relief and there is no longer interference for the stroke the player would have made, any further interference is a new situation.

For example, the player's ball lies in heavy rough in the general area approximately 230 yards from the green. The player selects a wedge to make the next stroke and finds that his or her stance touches a line defining an area of ground under repair. The player determines the nearest point of complete relief and drops a ball in the prescribed relief area according to Rule 14.3b(3) (Ball Must Be Dropped in Relief Area) and Rule 16.1 (Relief from Abnormal Course Conditions).

The ball rolls into a good lie within the relief area from where the player believes that the next stroke could be played with a 3-wood. If the player used a wedge for the next stroke there would be no interference from the ground under repair. However, using the 3-wood, the player again touches the line defining the ground under repair with his or her foot. This is a new situation and the player may play the ball as it lies or take relief for the new situation.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/4 - Player Determines Nearest Point of Complete Relief but Is Physically Unable to Make Intended Stroke

The purpose of determining the nearest point of complete relief is to find a reference point in a location that is as near as possible to where the interfering condition no longer interferes. In determining the nearest point of complete relief, the player is not guaranteed a good or playable lie.

For example, if a player is unable to make a stroke from what appears to be the required relief area as measured from the nearest point of complete relief because either the direction of play is blocked by a tree, or the player is unable to take the backswing for the intended stroke due to a bush, this does not change the fact that the identified point is the nearest point of complete relief.

After the ball is in play, the player must then decide what type of stroke he or she will make. This stroke, which includes the choice of club, may be different than the one that would have been made from the ball's original spot had the condition not been there.

If it is not physically possible to drop the ball in any part of the identified relief area, the player is not allowed relief from the condition.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/5 - Player Physically Unable to Determine Nearest Point of Complete Relief

If a player is physically unable to determine his or her nearest point of complete relief, it must be estimated, and the relief area is then based on the estimated point.

For example, in taking relief under Rule 16.1, a player is physically unable to determine the nearest point of complete relief because that point is within the trunk of a tree or a boundary fence prevents the player from adopting the required stance.

The player must estimate the nearest point of complete relief and drop a ball in the identified relief area.

If it is not physically possible to drop the ball in the identified relief area, the player is not allowed relief under Rule 16.1.

Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Bunker

Een speciaal bewerkt gebied met zand dat vaak een kuil is waaruit gras of aarde is verwijderd.

Geen onderdeel van de bunker zijn:

  • De lip, muur of wand aan de rand van een bewerkt gebied bestaand uit aarde, gras, gestapelde graszoden of kunstmatig materiaal.
  • Aarde of enige levende of vastzittende begroeiing binnen de grenzen van een bewerkt gebied (zoals gras, struiken of bomen).
  • Zand dat over de grens van het bewerkte gebied heen of daarbuiten ligt.
  • Alle andere gebieden met zand op de baan die niet binnen de grenzen van een bewerkt gebied liggen (zoals woestijn en andere natuurlijke gebieden met zand of gebieden die ook wel "waste areas" worden genoemd).

Bunkers zijn een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Een Commissie mag een bewerkt gebied met zand verklaren tot onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is) of mag een niet-bewerkt gebied met zand verklaren tot bunker.

Wanneer een bunker wordt hersteld en de Commissie de hele bunker tot grond in bewerking verklaart, wordt deze beschouwd als onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is).

Het woord "zand", zoals gebruikt in deze definitie en Regel 12 omvat elk materiaal vergelijkbaar met zand dat is gebruikt als bunkermateriaal (zoals gemalen schelpen) en ook elk soort grond dat is vermengd met zand.

Dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering

Het referentiepunt voor het ontwijken zonder straf van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid (Regel 16.1), een situatie met gevaarlijke dieren (Regel 16.2), een verkeerde green (Regel 13.1f) of een verboden speelzone (Regel 16.1f en 17.1e) of bij het handelen volgens een plaatselijke regel.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar, als de bal daar zou liggen, de belemmering die de speler wil ontwijken niet meer bestaat voor de slag zoals de speler die op de oorspronkelijke plek, zonder de belemmering, zou hebben gedaan.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering heeft alleen betrekking op de belemmering die de speler wil ontwijken en kan zich op een plek bevinden waar iets anders voor hinder zorgt:

  • Als de speler de belemmering ontwijkt en dan last heeft van een andere belemmering die mag worden ontweken, dan mag de speler opnieuw een dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering bepalen om deze nieuwe belemmering te ontwijken.
  • De belemmeringen moeten apart worden ontweken, behalve dat de speler de belemmeringen gezamenlijk in één keer mag ontwijken (door het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering voor beide belemmeringen te bepalen) wanneer het, na al een keer beide belemmeringen apart te hebben ontweken, redelijkerwijs duidelijk wordt dat hiermee doorgaan voortdurend leidt tot hinder door een van deze belemmeringen.

 

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/1 - Diagrams Illustrating Nearest Point of Complete Relief

In the diagrams, the term "nearest point of complete relief" in Rule 16.1 (Abnormal Course Conditions) for relief from interference by ground under repair is illustrated in the case of both a right-handed and a left-handed player.

The nearest point of complete relief must be strictly interpreted. A player is not allowed to choose on which side of the ground under repair the ball will be dropped, unless there are two equidistant nearest points of complete relief. Even if one side of the ground under repair is fairway and the other is bushes, if the nearest point of complete relief is in the bushes, then that is the player's nearest point of complete relief.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/2 – Player Does Not Follow Recommended Procedure in Determining Nearest Point of Complete Relief

Although there is a recommended procedure for determining the nearest point of complete relief, the Rules do not require a player to determine this point when taking relief under a relevant Rule (such as when taking relief from an abnormal course condition under Rule 16.1b (Relief for Ball in General Area)). If a player does not determine a nearest point of complete relief accurately or identifies an incorrect nearest point of complete relief, the player only gets a penalty if this results in him or her dropping a ball into a relief area that does not satisfy the requirements of the Rule and the ball is then played.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/3 – Whether Player Has Taken Relief Incorrectly If Condition Still Interferes for Stroke with Club Not Used to Determine Nearest Point of Complete Relief

When a player is taking relief from an abnormal course condition, he or she is taking relief only for interference that he or she had with the club, stance, swing and line of play that would have been used to play the ball from that spot. After the player has taken relief and there is no longer interference for the stroke the player would have made, any further interference is a new situation.

For example, the player's ball lies in heavy rough in the general area approximately 230 yards from the green. The player selects a wedge to make the next stroke and finds that his or her stance touches a line defining an area of ground under repair. The player determines the nearest point of complete relief and drops a ball in the prescribed relief area according to Rule 14.3b(3) (Ball Must Be Dropped in Relief Area) and Rule 16.1 (Relief from Abnormal Course Conditions).

The ball rolls into a good lie within the relief area from where the player believes that the next stroke could be played with a 3-wood. If the player used a wedge for the next stroke there would be no interference from the ground under repair. However, using the 3-wood, the player again touches the line defining the ground under repair with his or her foot. This is a new situation and the player may play the ball as it lies or take relief for the new situation.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/4 - Player Determines Nearest Point of Complete Relief but Is Physically Unable to Make Intended Stroke

The purpose of determining the nearest point of complete relief is to find a reference point in a location that is as near as possible to where the interfering condition no longer interferes. In determining the nearest point of complete relief, the player is not guaranteed a good or playable lie.

For example, if a player is unable to make a stroke from what appears to be the required relief area as measured from the nearest point of complete relief because either the direction of play is blocked by a tree, or the player is unable to take the backswing for the intended stroke due to a bush, this does not change the fact that the identified point is the nearest point of complete relief.

After the ball is in play, the player must then decide what type of stroke he or she will make. This stroke, which includes the choice of club, may be different than the one that would have been made from the ball's original spot had the condition not been there.

If it is not physically possible to drop the ball in any part of the identified relief area, the player is not allowed relief from the condition.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/5 - Player Physically Unable to Determine Nearest Point of Complete Relief

If a player is physically unable to determine his or her nearest point of complete relief, it must be estimated, and the relief area is then based on the estimated point.

For example, in taking relief under Rule 16.1, a player is physically unable to determine the nearest point of complete relief because that point is within the trunk of a tree or a boundary fence prevents the player from adopting the required stance.

The player must estimate the nearest point of complete relief and drop a ball in the identified relief area.

If it is not physically possible to drop the ball in the identified relief area, the player is not allowed relief under Rule 16.1.

Bunker

Een speciaal bewerkt gebied met zand dat vaak een kuil is waaruit gras of aarde is verwijderd.

Geen onderdeel van de bunker zijn:

  • De lip, muur of wand aan de rand van een bewerkt gebied bestaand uit aarde, gras, gestapelde graszoden of kunstmatig materiaal.
  • Aarde of enige levende of vastzittende begroeiing binnen de grenzen van een bewerkt gebied (zoals gras, struiken of bomen).
  • Zand dat over de grens van het bewerkte gebied heen of daarbuiten ligt.
  • Alle andere gebieden met zand op de baan die niet binnen de grenzen van een bewerkt gebied liggen (zoals woestijn en andere natuurlijke gebieden met zand of gebieden die ook wel "waste areas" worden genoemd).

Bunkers zijn een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Een Commissie mag een bewerkt gebied met zand verklaren tot onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is) of mag een niet-bewerkt gebied met zand verklaren tot bunker.

Wanneer een bunker wordt hersteld en de Commissie de hele bunker tot grond in bewerking verklaart, wordt deze beschouwd als onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is).

Het woord "zand", zoals gebruikt in deze definitie en Regel 12 omvat elk materiaal vergelijkbaar met zand dat is gebruikt als bunkermateriaal (zoals gemalen schelpen) en ook elk soort grond dat is vermengd met zand.

Punt met de minste belemmering

Het referentiepunt om zonder straf een belemmering door een abnormale baanomstandigheid te ontwijken in een bunker (Regel 16.1c) of op een green (Regel 16.1d), wanneer er geen dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering is.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar de abnormale baanomstandigheid het minst hinder oplevert voor de slag die de speler van de oorspronkelijke plek zou hebben gedaan als deze belemmering er niet geweest zou zijn.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het punt met de minste belemmering wordt bepaald door een vergelijking te maken van de relatieve belemmeringen door de ligging van de bal, de ruimte van de spelers voorgenomen stand en swing en, alleen op de green, de speellijn. Bijvoorbeeld bij het ontwijken van tijdelijk water:

  • Het punt met de minste belemmering kan daar zijn waar de bal in ondieper water ligt dan waar de speler moet staan (waardoor de stand meer wordt beïnvloed dan de ligging of swing), of in dieper water dan waar de speler gaat staan (waardoor de ligging en swing meer worden beïnvloed dan de stand).
  • Op de green kan het punt met de minste belemmering worden gekozen op basis van de speellijn, waarbij de bal door ofwel het ondiepste stuk ofwel het kortste stuk van tijdelijk water moet gaan.
Bunker

Een speciaal bewerkt gebied met zand dat vaak een kuil is waaruit gras of aarde is verwijderd.

Geen onderdeel van de bunker zijn:

  • De lip, muur of wand aan de rand van een bewerkt gebied bestaand uit aarde, gras, gestapelde graszoden of kunstmatig materiaal.
  • Aarde of enige levende of vastzittende begroeiing binnen de grenzen van een bewerkt gebied (zoals gras, struiken of bomen).
  • Zand dat over de grens van het bewerkte gebied heen of daarbuiten ligt.
  • Alle andere gebieden met zand op de baan die niet binnen de grenzen van een bewerkt gebied liggen (zoals woestijn en andere natuurlijke gebieden met zand of gebieden die ook wel "waste areas" worden genoemd).

Bunkers zijn een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Een Commissie mag een bewerkt gebied met zand verklaren tot onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is) of mag een niet-bewerkt gebied met zand verklaren tot bunker.

Wanneer een bunker wordt hersteld en de Commissie de hele bunker tot grond in bewerking verklaart, wordt deze beschouwd als onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is).

Het woord "zand", zoals gebruikt in deze definitie en Regel 12 omvat elk materiaal vergelijkbaar met zand dat is gebruikt als bunkermateriaal (zoals gemalen schelpen) en ook elk soort grond dat is vermengd met zand.

Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Hole

Het eindpunt op de green van de hole die wordt gespeeld:

  • De hole moet 4¼ inches (108 mm) in diameter zijn en ten minste 4 inches (101,6 mm) diep.
  • Als een inzetstuk wordt gebruikt, mag de buitendiameter niet groter zijn dan 4¼ inches (108 mm). Het inzetstuk moet ten minste 1 inch (25,4 mm) onder het oppervlak van de green liggen, tenzij de gesteldheid van de bodem vereist dat deze dichter bij het oppervlak zit.

Het woord “hole” wordt (wanneer niet gebruikt als een cursiefgedrukte definitie) in de regels gebruikt als het onderdeel van de baan dat bestaat uit een specifieke afslagplaats, green en hole. Het spelen van een hole begint op de afslagplaats en eindigt wanneer de bal is uitgeholed op de green (of wanneer de hole anders is uitgespeeld volgens de regels).

 

Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Hole

Het eindpunt op de green van de hole die wordt gespeeld:

  • De hole moet 4¼ inches (108 mm) in diameter zijn en ten minste 4 inches (101,6 mm) diep.
  • Als een inzetstuk wordt gebruikt, mag de buitendiameter niet groter zijn dan 4¼ inches (108 mm). Het inzetstuk moet ten minste 1 inch (25,4 mm) onder het oppervlak van de green liggen, tenzij de gesteldheid van de bodem vereist dat deze dichter bij het oppervlak zit.

Het woord “hole” wordt (wanneer niet gebruikt als een cursiefgedrukte definitie) in de regels gebruikt als het onderdeel van de baan dat bestaat uit een specifieke afslagplaats, green en hole. Het spelen van een hole begint op de afslagplaats en eindigt wanneer de bal is uitgeholed op de green (of wanneer de hole anders is uitgespeeld volgens de regels).

 

Tee

Een voorwerp dat wordt gebruikt om een bal op te plaatsen om vanaf de afslagplaats te spelen. Een tee mag niet langer zijn dan 4 inches (101,6 mm) en moet voldoen aan de regels voor uitrusting.

Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Hole

Het eindpunt op de green van de hole die wordt gespeeld:

  • De hole moet 4¼ inches (108 mm) in diameter zijn en ten minste 4 inches (101,6 mm) diep.
  • Als een inzetstuk wordt gebruikt, mag de buitendiameter niet groter zijn dan 4¼ inches (108 mm). Het inzetstuk moet ten minste 1 inch (25,4 mm) onder het oppervlak van de green liggen, tenzij de gesteldheid van de bodem vereist dat deze dichter bij het oppervlak zit.

Het woord “hole” wordt (wanneer niet gebruikt als een cursiefgedrukte definitie) in de regels gebruikt als het onderdeel van de baan dat bestaat uit een specifieke afslagplaats, green en hole. Het spelen van een hole begint op de afslagplaats en eindigt wanneer de bal is uitgeholed op de green (of wanneer de hole anders is uitgespeeld volgens de regels).

 

Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Clublengte

De lengte van de langste club van de 14 (of minder) clubs die de speler bij zich heeft tijdens de ronde (zoals toegestaan in Regel 4.1b(1)) anders dan een putter.

Bijvoorbeeld als de langste club (anders dan een putter) die een speler bij zich heeft tijdens een ronde een driver is van 43 inch (109,22 cm), dan is 43 inch (109,22 cm) de clublengte voor die speler voor die ronde.

Clublengtes worden gebruikt om de afslagplaats te bepalen op de hole die wordt gespeeld en de afmeting van de dropzone vast te stellen als de speler een belemmering ontwijkt volgens een Regel.

 

Interpretation Club-Length/1 - Meaning of "Club-Length" When Measuring

For the purposes of measuring when determining a relief area, the length of the entire club, starting at the toe of the club and ending at the butt end of the grip is used. However, if the club has a headcover on it or has an attachment to the end of the grip, neither is allowed to be used as part of the club when using it to measure.

Interpretation Club-Length/2 - How to Measure When Longest Club Breaks

If the longest club a player has during a round breaks, that broken club continues to be used for determining the size of his or her relief areas. However, if the longest club breaks and the player is allowed to replace it with another club (Exception to Rule 4.1b(3)) and he or she does so, the broken club is no longer considered his or her longest club.

If the player starts a round with fewer than 14 clubs and decides to add another club that is longer than the clubs he or she started with, the added club is used for measuring so long as it is not a putter.

Clarification - Meaning of “Club-Length” When Playing with Partner

In partner forms of play, either partner’s longest club, except a putter, may be used for defining the teeing area or determining the size of a relief area.
(Clarification added 12/2018)

Hole

Het eindpunt op de green van de hole die wordt gespeeld:

  • De hole moet 4¼ inches (108 mm) in diameter zijn en ten minste 4 inches (101,6 mm) diep.
  • Als een inzetstuk wordt gebruikt, mag de buitendiameter niet groter zijn dan 4¼ inches (108 mm). Het inzetstuk moet ten minste 1 inch (25,4 mm) onder het oppervlak van de green liggen, tenzij de gesteldheid van de bodem vereist dat deze dichter bij het oppervlak zit.

Het woord “hole” wordt (wanneer niet gebruikt als een cursiefgedrukte definitie) in de regels gebruikt als het onderdeel van de baan dat bestaat uit een specifieke afslagplaats, green en hole. Het spelen van een hole begint op de afslagplaats en eindigt wanneer de bal is uitgeholed op de green (of wanneer de hole anders is uitgespeeld volgens de regels).

 

Gebieden van de baan

De vijf gedefinieerde gebieden die de baan vormen:

  • het algemene gebied;
  • de afslagplaats waarvan de speler de hole moet beginnen;
  • alle hindernissen;
  • alle  bunkers, en
  • de green van de hole die de speler speelt.
Gebieden van de baan

De vijf gedefinieerde gebieden die de baan vormen:

  • het algemene gebied;
  • de afslagplaats waarvan de speler de hole moet beginnen;
  • alle hindernissen;
  • alle  bunkers, en
  • de green van de hole die de speler speelt.
Clublengte

De lengte van de langste club van de 14 (of minder) clubs die de speler bij zich heeft tijdens de ronde (zoals toegestaan in Regel 4.1b(1)) anders dan een putter.

Bijvoorbeeld als de langste club (anders dan een putter) die een speler bij zich heeft tijdens een ronde een driver is van 43 inch (109,22 cm), dan is 43 inch (109,22 cm) de clublengte voor die speler voor die ronde.

Clublengtes worden gebruikt om de afslagplaats te bepalen op de hole die wordt gespeeld en de afmeting van de dropzone vast te stellen als de speler een belemmering ontwijkt volgens een Regel.

 

Interpretation Club-Length/1 - Meaning of "Club-Length" When Measuring

For the purposes of measuring when determining a relief area, the length of the entire club, starting at the toe of the club and ending at the butt end of the grip is used. However, if the club has a headcover on it or has an attachment to the end of the grip, neither is allowed to be used as part of the club when using it to measure.

Interpretation Club-Length/2 - How to Measure When Longest Club Breaks

If the longest club a player has during a round breaks, that broken club continues to be used for determining the size of his or her relief areas. However, if the longest club breaks and the player is allowed to replace it with another club (Exception to Rule 4.1b(3)) and he or she does so, the broken club is no longer considered his or her longest club.

If the player starts a round with fewer than 14 clubs and decides to add another club that is longer than the clubs he or she started with, the added club is used for measuring so long as it is not a putter.

Clarification - Meaning of “Club-Length” When Playing with Partner

In partner forms of play, either partner’s longest club, except a putter, may be used for defining the teeing area or determining the size of a relief area.
(Clarification added 12/2018)

Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Gebieden van de baan

De vijf gedefinieerde gebieden die de baan vormen:

  • het algemene gebied;
  • de afslagplaats waarvan de speler de hole moet beginnen;
  • alle hindernissen;
  • alle  bunkers, en
  • de green van de hole die de speler speelt.
Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering

Het referentiepunt voor het ontwijken zonder straf van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid (Regel 16.1), een situatie met gevaarlijke dieren (Regel 16.2), een verkeerde green (Regel 13.1f) of een verboden speelzone (Regel 16.1f en 17.1e) of bij het handelen volgens een plaatselijke regel.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar, als de bal daar zou liggen, de belemmering die de speler wil ontwijken niet meer bestaat voor de slag zoals de speler die op de oorspronkelijke plek, zonder de belemmering, zou hebben gedaan.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering heeft alleen betrekking op de belemmering die de speler wil ontwijken en kan zich op een plek bevinden waar iets anders voor hinder zorgt:

  • Als de speler de belemmering ontwijkt en dan last heeft van een andere belemmering die mag worden ontweken, dan mag de speler opnieuw een dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering bepalen om deze nieuwe belemmering te ontwijken.
  • De belemmeringen moeten apart worden ontweken, behalve dat de speler de belemmeringen gezamenlijk in één keer mag ontwijken (door het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering voor beide belemmeringen te bepalen) wanneer het, na al een keer beide belemmeringen apart te hebben ontweken, redelijkerwijs duidelijk wordt dat hiermee doorgaan voortdurend leidt tot hinder door een van deze belemmeringen.

 

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/1 - Diagrams Illustrating Nearest Point of Complete Relief

In the diagrams, the term "nearest point of complete relief" in Rule 16.1 (Abnormal Course Conditions) for relief from interference by ground under repair is illustrated in the case of both a right-handed and a left-handed player.

The nearest point of complete relief must be strictly interpreted. A player is not allowed to choose on which side of the ground under repair the ball will be dropped, unless there are two equidistant nearest points of complete relief. Even if one side of the ground under repair is fairway and the other is bushes, if the nearest point of complete relief is in the bushes, then that is the player's nearest point of complete relief.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/2 – Player Does Not Follow Recommended Procedure in Determining Nearest Point of Complete Relief

Although there is a recommended procedure for determining the nearest point of complete relief, the Rules do not require a player to determine this point when taking relief under a relevant Rule (such as when taking relief from an abnormal course condition under Rule 16.1b (Relief for Ball in General Area)). If a player does not determine a nearest point of complete relief accurately or identifies an incorrect nearest point of complete relief, the player only gets a penalty if this results in him or her dropping a ball into a relief area that does not satisfy the requirements of the Rule and the ball is then played.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/3 – Whether Player Has Taken Relief Incorrectly If Condition Still Interferes for Stroke with Club Not Used to Determine Nearest Point of Complete Relief

When a player is taking relief from an abnormal course condition, he or she is taking relief only for interference that he or she had with the club, stance, swing and line of play that would have been used to play the ball from that spot. After the player has taken relief and there is no longer interference for the stroke the player would have made, any further interference is a new situation.

For example, the player's ball lies in heavy rough in the general area approximately 230 yards from the green. The player selects a wedge to make the next stroke and finds that his or her stance touches a line defining an area of ground under repair. The player determines the nearest point of complete relief and drops a ball in the prescribed relief area according to Rule 14.3b(3) (Ball Must Be Dropped in Relief Area) and Rule 16.1 (Relief from Abnormal Course Conditions).

The ball rolls into a good lie within the relief area from where the player believes that the next stroke could be played with a 3-wood. If the player used a wedge for the next stroke there would be no interference from the ground under repair. However, using the 3-wood, the player again touches the line defining the ground under repair with his or her foot. This is a new situation and the player may play the ball as it lies or take relief for the new situation.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/4 - Player Determines Nearest Point of Complete Relief but Is Physically Unable to Make Intended Stroke

The purpose of determining the nearest point of complete relief is to find a reference point in a location that is as near as possible to where the interfering condition no longer interferes. In determining the nearest point of complete relief, the player is not guaranteed a good or playable lie.

For example, if a player is unable to make a stroke from what appears to be the required relief area as measured from the nearest point of complete relief because either the direction of play is blocked by a tree, or the player is unable to take the backswing for the intended stroke due to a bush, this does not change the fact that the identified point is the nearest point of complete relief.

After the ball is in play, the player must then decide what type of stroke he or she will make. This stroke, which includes the choice of club, may be different than the one that would have been made from the ball's original spot had the condition not been there.

If it is not physically possible to drop the ball in any part of the identified relief area, the player is not allowed relief from the condition.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/5 - Player Physically Unable to Determine Nearest Point of Complete Relief

If a player is physically unable to determine his or her nearest point of complete relief, it must be estimated, and the relief area is then based on the estimated point.

For example, in taking relief under Rule 16.1, a player is physically unable to determine the nearest point of complete relief because that point is within the trunk of a tree or a boundary fence prevents the player from adopting the required stance.

The player must estimate the nearest point of complete relief and drop a ball in the identified relief area.

If it is not physically possible to drop the ball in the identified relief area, the player is not allowed relief under Rule 16.1.

Terugplaatsen

Het plaatsen van een bal door deze neer te leggen en los te laten met de bedoeling de bal in het spel te brengen.

Als een speler een bal neerlegt zonder de bedoeling deze in het spel te brengen, is de bal niet teruggeplaatst en is deze niet in het spel (zie Regel 14.4).

Wanneer een regel vereist dat een bal wordt teruggeplaatst, dan bepaalt deze regel de specifieke plek waar de bal moet worden teruggeplaatst.

 

Interpretation Replace/1 - Ball May Not Be Replaced with a Club

For a ball to be replaced in a right way, it must be set down and let go. This means the player must use his or her hand to put the ball back in play on the spot it was lifted or moved from.

For example, if a player lifts his or her ball from the putting green and sets it aside, the player must not replace the ball by rolling it to the required spot with a club. If he or she does so, the ball is not replaced in the right way and the player gets one penalty stroke under Rule 14.2b(2) (How Ball Must Be Replaced) if the mistake is not corrected before the stroke is made.

Dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering

Het referentiepunt voor het ontwijken zonder straf van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid (Regel 16.1), een situatie met gevaarlijke dieren (Regel 16.2), een verkeerde green (Regel 13.1f) of een verboden speelzone (Regel 16.1f en 17.1e) of bij het handelen volgens een plaatselijke regel.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar, als de bal daar zou liggen, de belemmering die de speler wil ontwijken niet meer bestaat voor de slag zoals de speler die op de oorspronkelijke plek, zonder de belemmering, zou hebben gedaan.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering heeft alleen betrekking op de belemmering die de speler wil ontwijken en kan zich op een plek bevinden waar iets anders voor hinder zorgt:

  • Als de speler de belemmering ontwijkt en dan last heeft van een andere belemmering die mag worden ontweken, dan mag de speler opnieuw een dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering bepalen om deze nieuwe belemmering te ontwijken.
  • De belemmeringen moeten apart worden ontweken, behalve dat de speler de belemmeringen gezamenlijk in één keer mag ontwijken (door het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering voor beide belemmeringen te bepalen) wanneer het, na al een keer beide belemmeringen apart te hebben ontweken, redelijkerwijs duidelijk wordt dat hiermee doorgaan voortdurend leidt tot hinder door een van deze belemmeringen.

 

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/1 - Diagrams Illustrating Nearest Point of Complete Relief

In the diagrams, the term "nearest point of complete relief" in Rule 16.1 (Abnormal Course Conditions) for relief from interference by ground under repair is illustrated in the case of both a right-handed and a left-handed player.

The nearest point of complete relief must be strictly interpreted. A player is not allowed to choose on which side of the ground under repair the ball will be dropped, unless there are two equidistant nearest points of complete relief. Even if one side of the ground under repair is fairway and the other is bushes, if the nearest point of complete relief is in the bushes, then that is the player's nearest point of complete relief.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/2 – Player Does Not Follow Recommended Procedure in Determining Nearest Point of Complete Relief

Although there is a recommended procedure for determining the nearest point of complete relief, the Rules do not require a player to determine this point when taking relief under a relevant Rule (such as when taking relief from an abnormal course condition under Rule 16.1b (Relief for Ball in General Area)). If a player does not determine a nearest point of complete relief accurately or identifies an incorrect nearest point of complete relief, the player only gets a penalty if this results in him or her dropping a ball into a relief area that does not satisfy the requirements of the Rule and the ball is then played.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/3 – Whether Player Has Taken Relief Incorrectly If Condition Still Interferes for Stroke with Club Not Used to Determine Nearest Point of Complete Relief

When a player is taking relief from an abnormal course condition, he or she is taking relief only for interference that he or she had with the club, stance, swing and line of play that would have been used to play the ball from that spot. After the player has taken relief and there is no longer interference for the stroke the player would have made, any further interference is a new situation.

For example, the player's ball lies in heavy rough in the general area approximately 230 yards from the green. The player selects a wedge to make the next stroke and finds that his or her stance touches a line defining an area of ground under repair. The player determines the nearest point of complete relief and drops a ball in the prescribed relief area according to Rule 14.3b(3) (Ball Must Be Dropped in Relief Area) and Rule 16.1 (Relief from Abnormal Course Conditions).

The ball rolls into a good lie within the relief area from where the player believes that the next stroke could be played with a 3-wood. If the player used a wedge for the next stroke there would be no interference from the ground under repair. However, using the 3-wood, the player again touches the line defining the ground under repair with his or her foot. This is a new situation and the player may play the ball as it lies or take relief for the new situation.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/4 - Player Determines Nearest Point of Complete Relief but Is Physically Unable to Make Intended Stroke

The purpose of determining the nearest point of complete relief is to find a reference point in a location that is as near as possible to where the interfering condition no longer interferes. In determining the nearest point of complete relief, the player is not guaranteed a good or playable lie.

For example, if a player is unable to make a stroke from what appears to be the required relief area as measured from the nearest point of complete relief because either the direction of play is blocked by a tree, or the player is unable to take the backswing for the intended stroke due to a bush, this does not change the fact that the identified point is the nearest point of complete relief.

After the ball is in play, the player must then decide what type of stroke he or she will make. This stroke, which includes the choice of club, may be different than the one that would have been made from the ball's original spot had the condition not been there.

If it is not physically possible to drop the ball in any part of the identified relief area, the player is not allowed relief from the condition.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/5 - Player Physically Unable to Determine Nearest Point of Complete Relief

If a player is physically unable to determine his or her nearest point of complete relief, it must be estimated, and the relief area is then based on the estimated point.

For example, in taking relief under Rule 16.1, a player is physically unable to determine the nearest point of complete relief because that point is within the trunk of a tree or a boundary fence prevents the player from adopting the required stance.

The player must estimate the nearest point of complete relief and drop a ball in the identified relief area.

If it is not physically possible to drop the ball in the identified relief area, the player is not allowed relief under Rule 16.1.

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering

Het referentiepunt voor het ontwijken zonder straf van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid (Regel 16.1), een situatie met gevaarlijke dieren (Regel 16.2), een verkeerde green (Regel 13.1f) of een verboden speelzone (Regel 16.1f en 17.1e) of bij het handelen volgens een plaatselijke regel.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar, als de bal daar zou liggen, de belemmering die de speler wil ontwijken niet meer bestaat voor de slag zoals de speler die op de oorspronkelijke plek, zonder de belemmering, zou hebben gedaan.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering heeft alleen betrekking op de belemmering die de speler wil ontwijken en kan zich op een plek bevinden waar iets anders voor hinder zorgt:

  • Als de speler de belemmering ontwijkt en dan last heeft van een andere belemmering die mag worden ontweken, dan mag de speler opnieuw een dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering bepalen om deze nieuwe belemmering te ontwijken.
  • De belemmeringen moeten apart worden ontweken, behalve dat de speler de belemmeringen gezamenlijk in één keer mag ontwijken (door het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering voor beide belemmeringen te bepalen) wanneer het, na al een keer beide belemmeringen apart te hebben ontweken, redelijkerwijs duidelijk wordt dat hiermee doorgaan voortdurend leidt tot hinder door een van deze belemmeringen.

 

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/1 - Diagrams Illustrating Nearest Point of Complete Relief

In the diagrams, the term "nearest point of complete relief" in Rule 16.1 (Abnormal Course Conditions) for relief from interference by ground under repair is illustrated in the case of both a right-handed and a left-handed player.

The nearest point of complete relief must be strictly interpreted. A player is not allowed to choose on which side of the ground under repair the ball will be dropped, unless there are two equidistant nearest points of complete relief. Even if one side of the ground under repair is fairway and the other is bushes, if the nearest point of complete relief is in the bushes, then that is the player's nearest point of complete relief.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/2 – Player Does Not Follow Recommended Procedure in Determining Nearest Point of Complete Relief

Although there is a recommended procedure for determining the nearest point of complete relief, the Rules do not require a player to determine this point when taking relief under a relevant Rule (such as when taking relief from an abnormal course condition under Rule 16.1b (Relief for Ball in General Area)). If a player does not determine a nearest point of complete relief accurately or identifies an incorrect nearest point of complete relief, the player only gets a penalty if this results in him or her dropping a ball into a relief area that does not satisfy the requirements of the Rule and the ball is then played.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/3 – Whether Player Has Taken Relief Incorrectly If Condition Still Interferes for Stroke with Club Not Used to Determine Nearest Point of Complete Relief

When a player is taking relief from an abnormal course condition, he or she is taking relief only for interference that he or she had with the club, stance, swing and line of play that would have been used to play the ball from that spot. After the player has taken relief and there is no longer interference for the stroke the player would have made, any further interference is a new situation.

For example, the player's ball lies in heavy rough in the general area approximately 230 yards from the green. The player selects a wedge to make the next stroke and finds that his or her stance touches a line defining an area of ground under repair. The player determines the nearest point of complete relief and drops a ball in the prescribed relief area according to Rule 14.3b(3) (Ball Must Be Dropped in Relief Area) and Rule 16.1 (Relief from Abnormal Course Conditions).

The ball rolls into a good lie within the relief area from where the player believes that the next stroke could be played with a 3-wood. If the player used a wedge for the next stroke there would be no interference from the ground under repair. However, using the 3-wood, the player again touches the line defining the ground under repair with his or her foot. This is a new situation and the player may play the ball as it lies or take relief for the new situation.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/4 - Player Determines Nearest Point of Complete Relief but Is Physically Unable to Make Intended Stroke

The purpose of determining the nearest point of complete relief is to find a reference point in a location that is as near as possible to where the interfering condition no longer interferes. In determining the nearest point of complete relief, the player is not guaranteed a good or playable lie.

For example, if a player is unable to make a stroke from what appears to be the required relief area as measured from the nearest point of complete relief because either the direction of play is blocked by a tree, or the player is unable to take the backswing for the intended stroke due to a bush, this does not change the fact that the identified point is the nearest point of complete relief.

After the ball is in play, the player must then decide what type of stroke he or she will make. This stroke, which includes the choice of club, may be different than the one that would have been made from the ball's original spot had the condition not been there.

If it is not physically possible to drop the ball in any part of the identified relief area, the player is not allowed relief from the condition.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/5 - Player Physically Unable to Determine Nearest Point of Complete Relief

If a player is physically unable to determine his or her nearest point of complete relief, it must be estimated, and the relief area is then based on the estimated point.

For example, in taking relief under Rule 16.1, a player is physically unable to determine the nearest point of complete relief because that point is within the trunk of a tree or a boundary fence prevents the player from adopting the required stance.

The player must estimate the nearest point of complete relief and drop a ball in the identified relief area.

If it is not physically possible to drop the ball in the identified relief area, the player is not allowed relief under Rule 16.1.

Punt met de minste belemmering

Het referentiepunt om zonder straf een belemmering door een abnormale baanomstandigheid te ontwijken in een bunker (Regel 16.1c) of op een green (Regel 16.1d), wanneer er geen dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering is.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar de abnormale baanomstandigheid het minst hinder oplevert voor de slag die de speler van de oorspronkelijke plek zou hebben gedaan als deze belemmering er niet geweest zou zijn.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het punt met de minste belemmering wordt bepaald door een vergelijking te maken van de relatieve belemmeringen door de ligging van de bal, de ruimte van de spelers voorgenomen stand en swing en, alleen op de green, de speellijn. Bijvoorbeeld bij het ontwijken van tijdelijk water:

  • Het punt met de minste belemmering kan daar zijn waar de bal in ondieper water ligt dan waar de speler moet staan (waardoor de stand meer wordt beïnvloed dan de ligging of swing), of in dieper water dan waar de speler gaat staan (waardoor de ligging en swing meer worden beïnvloed dan de stand).
  • Op de green kan het punt met de minste belemmering worden gekozen op basis van de speellijn, waarbij de bal door ofwel het ondiepste stuk ofwel het kortste stuk van tijdelijk water moet gaan.
Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Bekend of praktisch zeker

De maatstaf om te bepalen wat er met de bal is gebeurd – bijvoorbeeld of de bal tot stilstand is gekomen in een hindernis, of hij is bewogen of waardoor hij is bewogen.

Bekend of praktisch zeker betekent meer dan alleen mogelijk of waarschijnlijk. Het betekent dat:

  • er afdoende bewijs is dat de betreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden met de bal van de speler, zoals wanneer de speler of andere getuigen het hebben zien gebeuren, of
  • hoewel er een geringe mate van twijfel is, alle redelijkerwijs beschikbare informatie aantoont dat het ten minste voor 95% zeker is dat de betreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

"Alle redelijkerwijs beschikbare informatie" omvat alle informatie die de speler kent of weet en alle andere informatie die hij of zij met redelijke inspanning en zonder onredelijk oponthoud kan verkrijgen.

 

Interpretation Known or Virtually Certain/1 - Applying "Known or Virtually Certain" Standard When Ball Moves

When it is not "known" what caused the ball to move, all reasonably available information must be considered and the evidence must be evaluated to determine if it is "virtually certain" that the player, opponent or outside influence caused the ball to move.

Depending on the circumstances, reasonably available information may include, but is not limited to:

  • The effect of any actions taken near the ball (such as movement of loose impediments, practice swings, grounding club and taking a stance),
  • Time elapsed between such actions and the movement of the ball,
  • The lie of the ball before it moved (such as on a fairway, perched on longer grass, on a surface imperfection or on the putting green),
  • The conditions of the ground near the ball (such as the degree of slope or presence of surface irregularities, etc), and
  • Wind speed and direction, rain and other weather conditions.

Interpretation Known or Virtually Certain/2 - Virtual Certainty Is Irrelevant if It Comes to Light After Three-Minute Search Expires

Determining whether there is knowledge or virtual certainty must be based on evidence known to the player at the time the three-minute search time expires.

Examples of when the player's later findings are irrelevant include when:

  • A player's tee shot comes to rest in an area containing heavy rough and a large animal hole. After a three-minute search, it is determined that it is not known or virtually certain that the ball is in the animal hole. As the player returns to the teeing area, the ball is found in the animal hole.
  • Even though the player has not yet put another ball in play, the player must take stroke-and-distance relief for a lost ball (Rule 18.2b - What to Do When Ball is Lost or Out of Bounds) since it was not known or virtually certain that the ball was in the animal hole, when the search time expired.
  • A player cannot find his or her ball and believes it may have been picked up by a spectator (outside influence), but there is not enough evidence to be virtually certain of this. A short time after the three-minute search time expires, a spectator is found to have the player's ball.

The player must take stroke-and-distance relief for a lost ball (Rule 18.2b) since the movement by the outside influence only became known after the search time expired.

Interpretation Known or Virtually Certain/3 - Player Unaware Ball Played by Another Player

It must be known or virtually certain that a player's ball has been played by another player as a wrong ball to treat it as being moved.

For example, in stroke play, Player A and Player B hit their tee shots into the same general location. Player A finds a ball and plays it. Player B goes forward to look for his or her ball and cannot find it. After three minutes, Player B starts back to the tee to play another ball. On the way, Player B finds Player A's ball and knows then that Player A has played his or her ball in error.

Player A gets the general penalty for playing a wrong ball and must then play his or her own ball (Rule 6.3c). Player A's ball was not lost even though both players searched for more than three minutes because Player A did not start searching for his or her ball; the searching was for Player B's ball. Regarding Player B's ball, Player B's original ball was lost and he or she must put another ball in play under penalty of stroke and distance (Rule 18.2b), because it was not known or virtually certain when the three-minute search time expired that the ball had been played by another player.

Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Slag en afstand

De procedure en straf die van toepassing is wanneer een speler een belemmering ontwijkt volgens Regel 17, 18 of 19 door het spelen van een bal van de plaats waar de vorige slag is gedaan (zie Regel 14.6).

Het begrip slag en afstand betekent dat de speler:

  • één strafslag krijgt, en
  • terug moet naar de plaats waar de vorige slag is gedaan. Hierbij gaat de afstand gemaakt bij die vorige slag verloren.
Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering

Het referentiepunt voor het ontwijken zonder straf van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid (Regel 16.1), een situatie met gevaarlijke dieren (Regel 16.2), een verkeerde green (Regel 13.1f) of een verboden speelzone (Regel 16.1f en 17.1e) of bij het handelen volgens een plaatselijke regel.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar, als de bal daar zou liggen, de belemmering die de speler wil ontwijken niet meer bestaat voor de slag zoals de speler die op de oorspronkelijke plek, zonder de belemmering, zou hebben gedaan.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering heeft alleen betrekking op de belemmering die de speler wil ontwijken en kan zich op een plek bevinden waar iets anders voor hinder zorgt:

  • Als de speler de belemmering ontwijkt en dan last heeft van een andere belemmering die mag worden ontweken, dan mag de speler opnieuw een dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering bepalen om deze nieuwe belemmering te ontwijken.
  • De belemmeringen moeten apart worden ontweken, behalve dat de speler de belemmeringen gezamenlijk in één keer mag ontwijken (door het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering voor beide belemmeringen te bepalen) wanneer het, na al een keer beide belemmeringen apart te hebben ontweken, redelijkerwijs duidelijk wordt dat hiermee doorgaan voortdurend leidt tot hinder door een van deze belemmeringen.

 

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/1 - Diagrams Illustrating Nearest Point of Complete Relief

In the diagrams, the term "nearest point of complete relief" in Rule 16.1 (Abnormal Course Conditions) for relief from interference by ground under repair is illustrated in the case of both a right-handed and a left-handed player.

The nearest point of complete relief must be strictly interpreted. A player is not allowed to choose on which side of the ground under repair the ball will be dropped, unless there are two equidistant nearest points of complete relief. Even if one side of the ground under repair is fairway and the other is bushes, if the nearest point of complete relief is in the bushes, then that is the player's nearest point of complete relief.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/2 – Player Does Not Follow Recommended Procedure in Determining Nearest Point of Complete Relief

Although there is a recommended procedure for determining the nearest point of complete relief, the Rules do not require a player to determine this point when taking relief under a relevant Rule (such as when taking relief from an abnormal course condition under Rule 16.1b (Relief for Ball in General Area)). If a player does not determine a nearest point of complete relief accurately or identifies an incorrect nearest point of complete relief, the player only gets a penalty if this results in him or her dropping a ball into a relief area that does not satisfy the requirements of the Rule and the ball is then played.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/3 – Whether Player Has Taken Relief Incorrectly If Condition Still Interferes for Stroke with Club Not Used to Determine Nearest Point of Complete Relief

When a player is taking relief from an abnormal course condition, he or she is taking relief only for interference that he or she had with the club, stance, swing and line of play that would have been used to play the ball from that spot. After the player has taken relief and there is no longer interference for the stroke the player would have made, any further interference is a new situation.

For example, the player's ball lies in heavy rough in the general area approximately 230 yards from the green. The player selects a wedge to make the next stroke and finds that his or her stance touches a line defining an area of ground under repair. The player determines the nearest point of complete relief and drops a ball in the prescribed relief area according to Rule 14.3b(3) (Ball Must Be Dropped in Relief Area) and Rule 16.1 (Relief from Abnormal Course Conditions).

The ball rolls into a good lie within the relief area from where the player believes that the next stroke could be played with a 3-wood. If the player used a wedge for the next stroke there would be no interference from the ground under repair. However, using the 3-wood, the player again touches the line defining the ground under repair with his or her foot. This is a new situation and the player may play the ball as it lies or take relief for the new situation.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/4 - Player Determines Nearest Point of Complete Relief but Is Physically Unable to Make Intended Stroke

The purpose of determining the nearest point of complete relief is to find a reference point in a location that is as near as possible to where the interfering condition no longer interferes. In determining the nearest point of complete relief, the player is not guaranteed a good or playable lie.

For example, if a player is unable to make a stroke from what appears to be the required relief area as measured from the nearest point of complete relief because either the direction of play is blocked by a tree, or the player is unable to take the backswing for the intended stroke due to a bush, this does not change the fact that the identified point is the nearest point of complete relief.

After the ball is in play, the player must then decide what type of stroke he or she will make. This stroke, which includes the choice of club, may be different than the one that would have been made from the ball's original spot had the condition not been there.

If it is not physically possible to drop the ball in any part of the identified relief area, the player is not allowed relief from the condition.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/5 - Player Physically Unable to Determine Nearest Point of Complete Relief

If a player is physically unable to determine his or her nearest point of complete relief, it must be estimated, and the relief area is then based on the estimated point.

For example, in taking relief under Rule 16.1, a player is physically unable to determine the nearest point of complete relief because that point is within the trunk of a tree or a boundary fence prevents the player from adopting the required stance.

The player must estimate the nearest point of complete relief and drop a ball in the identified relief area.

If it is not physically possible to drop the ball in the identified relief area, the player is not allowed relief under Rule 16.1.

In het spel

De status van een spelers bal wanneer deze bal op de baan ligt en wordt gebruikt voor het spelen van een hole:

  • Een bal komt voor het eerst in het spel op een hole:
    • wanneer de speler er een slag naar doet van binnen de afslagplaats, of
    • bij matchplay, wanneer de speler er een slag naar doet van buiten de afslagplaats en de tegenstander de slag niet laat vervallen volgens Regel 6.1b.
  • Die bal blijft in het spel totdat hij is uitgeholed, maar hij is niet langer in het spel:
    • wanneer hij is opgenomen van de baan;
    • wanneer hij verloren is (zelfs als hij stilligt op de baan) of buiten de baan ligt, of
    • wanneer hij is vervangen door een andere bal, zelfs als dat niet is toegestaan volgens een regel.

Een bal die niet in het spel is, is een verkeerde bal.

De speler kan nooit meer dan één bal in het spel hebben. (Zie Regel 6.3d voor de uitzonderingen waarbij een speler meer dan één bal tegelijkertijd mag spelen op een hole.)

Wanneer de Regels verwijzen naar een stilliggende bal of een bal in beweging, betekent dit dat een bal in het spel is.

Wanneer een balmarker is neergelegd om de plek van een bal in het spel te markeren:

  • Is de bal nog in het spel als hij niet is opgenomen.
  • Is de bal in het spel als je bal is opgenomen en teruggeplaatst, zelfs als de balmarker niet is weggenomen.
In het spel

De status van een spelers bal wanneer deze bal op de baan ligt en wordt gebruikt voor het spelen van een hole:

  • Een bal komt voor het eerst in het spel op een hole:
    • wanneer de speler er een slag naar doet van binnen de afslagplaats, of
    • bij matchplay, wanneer de speler er een slag naar doet van buiten de afslagplaats en de tegenstander de slag niet laat vervallen volgens Regel 6.1b.
  • Die bal blijft in het spel totdat hij is uitgeholed, maar hij is niet langer in het spel:
    • wanneer hij is opgenomen van de baan;
    • wanneer hij verloren is (zelfs als hij stilligt op de baan) of buiten de baan ligt, of
    • wanneer hij is vervangen door een andere bal, zelfs als dat niet is toegestaan volgens een regel.

Een bal die niet in het spel is, is een verkeerde bal.

De speler kan nooit meer dan één bal in het spel hebben. (Zie Regel 6.3d voor de uitzonderingen waarbij een speler meer dan één bal tegelijkertijd mag spelen op een hole.)

Wanneer de Regels verwijzen naar een stilliggende bal of een bal in beweging, betekent dit dat een bal in het spel is.

Wanneer een balmarker is neergelegd om de plek van een bal in het spel te markeren:

  • Is de bal nog in het spel als hij niet is opgenomen.
  • Is de bal in het spel als je bal is opgenomen en teruggeplaatst, zelfs als de balmarker niet is weggenomen.
Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Bekend of praktisch zeker

De maatstaf om te bepalen wat er met de bal is gebeurd – bijvoorbeeld of de bal tot stilstand is gekomen in een hindernis, of hij is bewogen of waardoor hij is bewogen.

Bekend of praktisch zeker betekent meer dan alleen mogelijk of waarschijnlijk. Het betekent dat:

  • er afdoende bewijs is dat de betreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden met de bal van de speler, zoals wanneer de speler of andere getuigen het hebben zien gebeuren, of
  • hoewel er een geringe mate van twijfel is, alle redelijkerwijs beschikbare informatie aantoont dat het ten minste voor 95% zeker is dat de betreffende gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

"Alle redelijkerwijs beschikbare informatie" omvat alle informatie die de speler kent of weet en alle andere informatie die hij of zij met redelijke inspanning en zonder onredelijk oponthoud kan verkrijgen.

 

Interpretation Known or Virtually Certain/1 - Applying "Known or Virtually Certain" Standard When Ball Moves

When it is not "known" what caused the ball to move, all reasonably available information must be considered and the evidence must be evaluated to determine if it is "virtually certain" that the player, opponent or outside influence caused the ball to move.

Depending on the circumstances, reasonably available information may include, but is not limited to:

  • The effect of any actions taken near the ball (such as movement of loose impediments, practice swings, grounding club and taking a stance),
  • Time elapsed between such actions and the movement of the ball,
  • The lie of the ball before it moved (such as on a fairway, perched on longer grass, on a surface imperfection or on the putting green),
  • The conditions of the ground near the ball (such as the degree of slope or presence of surface irregularities, etc), and
  • Wind speed and direction, rain and other weather conditions.

Interpretation Known or Virtually Certain/2 - Virtual Certainty Is Irrelevant if It Comes to Light After Three-Minute Search Expires

Determining whether there is knowledge or virtual certainty must be based on evidence known to the player at the time the three-minute search time expires.

Examples of when the player's later findings are irrelevant include when:

  • A player's tee shot comes to rest in an area containing heavy rough and a large animal hole. After a three-minute search, it is determined that it is not known or virtually certain that the ball is in the animal hole. As the player returns to the teeing area, the ball is found in the animal hole.
  • Even though the player has not yet put another ball in play, the player must take stroke-and-distance relief for a lost ball (Rule 18.2b - What to Do When Ball is Lost or Out of Bounds) since it was not known or virtually certain that the ball was in the animal hole, when the search time expired.
  • A player cannot find his or her ball and believes it may have been picked up by a spectator (outside influence), but there is not enough evidence to be virtually certain of this. A short time after the three-minute search time expires, a spectator is found to have the player's ball.

The player must take stroke-and-distance relief for a lost ball (Rule 18.2b) since the movement by the outside influence only became known after the search time expired.

Interpretation Known or Virtually Certain/3 - Player Unaware Ball Played by Another Player

It must be known or virtually certain that a player's ball has been played by another player as a wrong ball to treat it as being moved.

For example, in stroke play, Player A and Player B hit their tee shots into the same general location. Player A finds a ball and plays it. Player B goes forward to look for his or her ball and cannot find it. After three minutes, Player B starts back to the tee to play another ball. On the way, Player B finds Player A's ball and knows then that Player A has played his or her ball in error.

Player A gets the general penalty for playing a wrong ball and must then play his or her own ball (Rule 6.3c). Player A's ball was not lost even though both players searched for more than three minutes because Player A did not start searching for his or her ball; the searching was for Player B's ball. Regarding Player B's ball, Player B's original ball was lost and he or she must put another ball in play under penalty of stroke and distance (Rule 18.2b), because it was not known or virtually certain when the three-minute search time expired that the ball had been played by another player.

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Verloren

De status van een bal die niet binnen drie minuten is gevonden nadat de speler óf zijn of haar caddie (of partner van de speler of diens caddie) begonnen is met zoeken.

Als het zoeken begint en vervolgens tijdelijk wordt onderbroken om een goede reden (zoals wanneer de speler stopt met zoeken wanneer het spel wordt onderbroken of hij opzij moet gaan om een andere speler te laten spelen) of wanneer de speler bij vergissing een verkeerde bal heeft geïdentificeerd:

  • telt de tijd vanaf de onderbreking tot het verder gaan met zoeken niet mee, en
  • is de tijd voor het zoeken drie minuten in totaal, waarbij de tijd voor het zoeken zowel voor als na de onderbreking meetelt.

 

Interpretation Lost/1 - Ball May Not Be Declared Lost

A player may not make a ball lost by a declaration. A ball is lost only when it has not been found within three minutes after the player or his or her caddie or partner begins to search for it.

For example, a player searches for his or her ball for two minutes, declares it lost and walks back to play another ball. Before the player puts another ball in play, the original ball is found within the three-minute search time. Since the player may not declare his or her ball lost, the original ball remains in play.

Interpretation Lost/2 - Player May Not Delay the Start of Search to Gain an Advantage

The three-minute search time for a ball starts when the player or his or her caddie (or the player's partner or partner's caddie) starts to search for it. The player may not delay the start of the search in order to gain an advantage by allowing other people to search on his or her behalf.

For example, if a player is walking towards his or her ball and spectators are already looking for the ball, the player cannot deliberately delay getting to the area to keep the three-minute search time from starting. In such circumstances, the search time starts when the player would have been in a position to search had he or she not deliberately delayed getting to the area.

Interpretation Lost/3 - Search Time Continues When Player Returns to Play a Provisional Ball

If a player has started to search for his or her ball and is returning to the spot of the previous stroke to play a provisional ball, the three-minute search time continues whether or not anyone continues to search for the player's ball.

Interpretation Lost/4 - Search Time When Searching for Two Balls

When a player has played two balls (such as the ball in play and a provisional ball) and is searching for both, whether the player is allowed two separate three-minute search times depends how close the balls are to each other.

If the balls are in the same area where they can be searched for at the same time, the player is allowed only three minutes to search for both balls. However, if the balls are in different areas (such as opposite sides of the fairway) the player is allowed a three-minute search time for each ball.

Slag en afstand

De procedure en straf die van toepassing is wanneer een speler een belemmering ontwijkt volgens Regel 17, 18 of 19 door het spelen van een bal van de plaats waar de vorige slag is gedaan (zie Regel 14.6).

Het begrip slag en afstand betekent dat de speler:

  • één strafslag krijgt, en
  • terug moet naar de plaats waar de vorige slag is gedaan. Hierbij gaat de afstand gemaakt bij die vorige slag verloren.
Verboden speelzone

Een deel van de baan waar de Commissie het spelen van een bal heeft verboden. Een verboden speelzone moet worden gemarkeerd als een deel van óf een abnormale baanomstandigheid óf een hindernis.

De Commissie kan om allerlei redenen een verboden speelzone instellen, zoals:

  • Bescherming van wilde dieren, leefgebieden (habitat) van dieren en gebieden met een kwetsbaar milieu.
  • Het voorkomen van schade aan jonge aanplant, bloemperken, graskwekerijen, gebieden die pas ingezaaid zijn of van graszoden voorzien, of andere net aangeplante gebieden.
  • Het beschermen van spelers tegen gevaar.
  • Het beschermen van locaties van historisch of cultureel belang.

De Commissie behoort de grens van een verboden speelzone met palen of lijnen te markeren. De palen of lijnen (of de koppen van de palen) behoren aan te geven dat de verboden speelzone een ander type gebied is dan een gewone abnormale baanomstandigheid of hindernis zonder verboden speelzone.

 

Interpretation No Play Zone/1 - Status of Growing Things Overhanging a No Play Zone

The status of growing things that overhang a no play zone depends on the type of no play zone. This will matter since the growing things may be part of the no play zone, in which case the player is required to take relief.

For example, if a no play zone has been defined as a penalty area (where the edges extend above and below the ground), any part of a growing object that extends beyond the edges of the no play zone is not part of the no play zone. However, if a no play zone has been defined as ground under repair (which includes all ground inside the defined area and anything growing that extends above the ground and outside the edges), anything overhanging the edge is part of the no play zone.

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Bunker

Een speciaal bewerkt gebied met zand dat vaak een kuil is waaruit gras of aarde is verwijderd.

Geen onderdeel van de bunker zijn:

  • De lip, muur of wand aan de rand van een bewerkt gebied bestaand uit aarde, gras, gestapelde graszoden of kunstmatig materiaal.
  • Aarde of enige levende of vastzittende begroeiing binnen de grenzen van een bewerkt gebied (zoals gras, struiken of bomen).
  • Zand dat over de grens van het bewerkte gebied heen of daarbuiten ligt.
  • Alle andere gebieden met zand op de baan die niet binnen de grenzen van een bewerkt gebied liggen (zoals woestijn en andere natuurlijke gebieden met zand of gebieden die ook wel "waste areas" worden genoemd).

Bunkers zijn een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Een Commissie mag een bewerkt gebied met zand verklaren tot onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is) of mag een niet-bewerkt gebied met zand verklaren tot bunker.

Wanneer een bunker wordt hersteld en de Commissie de hele bunker tot grond in bewerking verklaart, wordt deze beschouwd als onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is).

Het woord "zand", zoals gebruikt in deze definitie en Regel 12 omvat elk materiaal vergelijkbaar met zand dat is gebruikt als bunkermateriaal (zoals gemalen schelpen) en ook elk soort grond dat is vermengd met zand.

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Verboden speelzone

Een deel van de baan waar de Commissie het spelen van een bal heeft verboden. Een verboden speelzone moet worden gemarkeerd als een deel van óf een abnormale baanomstandigheid óf een hindernis.

De Commissie kan om allerlei redenen een verboden speelzone instellen, zoals:

  • Bescherming van wilde dieren, leefgebieden (habitat) van dieren en gebieden met een kwetsbaar milieu.
  • Het voorkomen van schade aan jonge aanplant, bloemperken, graskwekerijen, gebieden die pas ingezaaid zijn of van graszoden voorzien, of andere net aangeplante gebieden.
  • Het beschermen van spelers tegen gevaar.
  • Het beschermen van locaties van historisch of cultureel belang.

De Commissie behoort de grens van een verboden speelzone met palen of lijnen te markeren. De palen of lijnen (of de koppen van de palen) behoren aan te geven dat de verboden speelzone een ander type gebied is dan een gewone abnormale baanomstandigheid of hindernis zonder verboden speelzone.

 

Interpretation No Play Zone/1 - Status of Growing Things Overhanging a No Play Zone

The status of growing things that overhang a no play zone depends on the type of no play zone. This will matter since the growing things may be part of the no play zone, in which case the player is required to take relief.

For example, if a no play zone has been defined as a penalty area (where the edges extend above and below the ground), any part of a growing object that extends beyond the edges of the no play zone is not part of the no play zone. However, if a no play zone has been defined as ground under repair (which includes all ground inside the defined area and anything growing that extends above the ground and outside the edges), anything overhanging the edge is part of the no play zone.

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Bunker

Een speciaal bewerkt gebied met zand dat vaak een kuil is waaruit gras of aarde is verwijderd.

Geen onderdeel van de bunker zijn:

  • De lip, muur of wand aan de rand van een bewerkt gebied bestaand uit aarde, gras, gestapelde graszoden of kunstmatig materiaal.
  • Aarde of enige levende of vastzittende begroeiing binnen de grenzen van een bewerkt gebied (zoals gras, struiken of bomen).
  • Zand dat over de grens van het bewerkte gebied heen of daarbuiten ligt.
  • Alle andere gebieden met zand op de baan die niet binnen de grenzen van een bewerkt gebied liggen (zoals woestijn en andere natuurlijke gebieden met zand of gebieden die ook wel "waste areas" worden genoemd).

Bunkers zijn een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Een Commissie mag een bewerkt gebied met zand verklaren tot onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is) of mag een niet-bewerkt gebied met zand verklaren tot bunker.

Wanneer een bunker wordt hersteld en de Commissie de hele bunker tot grond in bewerking verklaart, wordt deze beschouwd als onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is).

Het woord "zand", zoals gebruikt in deze definitie en Regel 12 omvat elk materiaal vergelijkbaar met zand dat is gebruikt als bunkermateriaal (zoals gemalen schelpen) en ook elk soort grond dat is vermengd met zand.

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Verboden speelzone

Een deel van de baan waar de Commissie het spelen van een bal heeft verboden. Een verboden speelzone moet worden gemarkeerd als een deel van óf een abnormale baanomstandigheid óf een hindernis.

De Commissie kan om allerlei redenen een verboden speelzone instellen, zoals:

  • Bescherming van wilde dieren, leefgebieden (habitat) van dieren en gebieden met een kwetsbaar milieu.
  • Het voorkomen van schade aan jonge aanplant, bloemperken, graskwekerijen, gebieden die pas ingezaaid zijn of van graszoden voorzien, of andere net aangeplante gebieden.
  • Het beschermen van spelers tegen gevaar.
  • Het beschermen van locaties van historisch of cultureel belang.

De Commissie behoort de grens van een verboden speelzone met palen of lijnen te markeren. De palen of lijnen (of de koppen van de palen) behoren aan te geven dat de verboden speelzone een ander type gebied is dan een gewone abnormale baanomstandigheid of hindernis zonder verboden speelzone.

 

Interpretation No Play Zone/1 - Status of Growing Things Overhanging a No Play Zone

The status of growing things that overhang a no play zone depends on the type of no play zone. This will matter since the growing things may be part of the no play zone, in which case the player is required to take relief.

For example, if a no play zone has been defined as a penalty area (where the edges extend above and below the ground), any part of a growing object that extends beyond the edges of the no play zone is not part of the no play zone. However, if a no play zone has been defined as ground under repair (which includes all ground inside the defined area and anything growing that extends above the ground and outside the edges), anything overhanging the edge is part of the no play zone.

Abnormale baanomstandigheden

Elk van deze vier gedefinieerde omstandigheden:

  • Gat gemaakt door een dier.
  • Grond in bewerking.
  • Vast obstakel.
  • Tijdelijk water.
Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Stand

De positie van voeten en lichaam van de speler in voorbereiding op en voor het doen van een slag.

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Bunker

Een speciaal bewerkt gebied met zand dat vaak een kuil is waaruit gras of aarde is verwijderd.

Geen onderdeel van de bunker zijn:

  • De lip, muur of wand aan de rand van een bewerkt gebied bestaand uit aarde, gras, gestapelde graszoden of kunstmatig materiaal.
  • Aarde of enige levende of vastzittende begroeiing binnen de grenzen van een bewerkt gebied (zoals gras, struiken of bomen).
  • Zand dat over de grens van het bewerkte gebied heen of daarbuiten ligt.
  • Alle andere gebieden met zand op de baan die niet binnen de grenzen van een bewerkt gebied liggen (zoals woestijn en andere natuurlijke gebieden met zand of gebieden die ook wel "waste areas" worden genoemd).

Bunkers zijn een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Een Commissie mag een bewerkt gebied met zand verklaren tot onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is) of mag een niet-bewerkt gebied met zand verklaren tot bunker.

Wanneer een bunker wordt hersteld en de Commissie de hele bunker tot grond in bewerking verklaart, wordt deze beschouwd als onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is).

Het woord "zand", zoals gebruikt in deze definitie en Regel 12 omvat elk materiaal vergelijkbaar met zand dat is gebruikt als bunkermateriaal (zoals gemalen schelpen) en ook elk soort grond dat is vermengd met zand.

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Verboden speelzone

Een deel van de baan waar de Commissie het spelen van een bal heeft verboden. Een verboden speelzone moet worden gemarkeerd als een deel van óf een abnormale baanomstandigheid óf een hindernis.

De Commissie kan om allerlei redenen een verboden speelzone instellen, zoals:

  • Bescherming van wilde dieren, leefgebieden (habitat) van dieren en gebieden met een kwetsbaar milieu.
  • Het voorkomen van schade aan jonge aanplant, bloemperken, graskwekerijen, gebieden die pas ingezaaid zijn of van graszoden voorzien, of andere net aangeplante gebieden.
  • Het beschermen van spelers tegen gevaar.
  • Het beschermen van locaties van historisch of cultureel belang.

De Commissie behoort de grens van een verboden speelzone met palen of lijnen te markeren. De palen of lijnen (of de koppen van de palen) behoren aan te geven dat de verboden speelzone een ander type gebied is dan een gewone abnormale baanomstandigheid of hindernis zonder verboden speelzone.

 

Interpretation No Play Zone/1 - Status of Growing Things Overhanging a No Play Zone

The status of growing things that overhang a no play zone depends on the type of no play zone. This will matter since the growing things may be part of the no play zone, in which case the player is required to take relief.

For example, if a no play zone has been defined as a penalty area (where the edges extend above and below the ground), any part of a growing object that extends beyond the edges of the no play zone is not part of the no play zone. However, if a no play zone has been defined as ground under repair (which includes all ground inside the defined area and anything growing that extends above the ground and outside the edges), anything overhanging the edge is part of the no play zone.

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Algemene straf.

Verlies van de hole bij matchplay of twee strafslagen bij strokeplay.

Dier

Ieder dierlijk levend wezen (anders dan mensen), waaronder zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren (zoals wormen, insecten, spinnen en schaaldieren).

Dier

Ieder dierlijk levend wezen (anders dan mensen), waaronder zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren (zoals wormen, insecten, spinnen en schaaldieren).

Dier

Ieder dierlijk levend wezen (anders dan mensen), waaronder zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren (zoals wormen, insecten, spinnen en schaaldieren).

Baan

Het hele speelgebied binnen de door de Commissie gestelde grenzen van de baan:

  • Alle gebieden binnen de grenzen van de baan zijn binnen de baan en onderdeel van de baan.
  • Alle gebieden buiten de grenzen van de baan zijn buiten de baan (out-of-bounds) en geen onderdeel van de baan.
  • Deze grens loopt loodrecht omhoog en omlaag.

De baan bestaat uit vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Dier

Ieder dierlijk levend wezen (anders dan mensen), waaronder zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren (zoals wormen, insecten, spinnen en schaaldieren).

Slag

De voorwaartse beweging van de club om de bal te slaan.

Echter er is geen slag gedaan als de speler:

  • Tijdens de neerzwaai bewust besluit om de bal niet te slaan en dit ook voorkomt door de kop van de club tegen te houden voordat deze bij de bal komt of, als dit niet lukt, in ieder geval opzettelijk de bal mist.
  • Per ongeluk de bal raakt bij het maken van een oefenswing of in de voorbereiding om een slag te doen.

Wanneer er in de regels wordt gesproken over "het spelen van een bal", dan betekent dit hetzelfde als het doen van een slag.

De score van een speler voor een hole of een ronde wordt met ‘slagen’ of ‘aantal slagen’ aangegeven, wat zowel het aantal gespeelde slagen als de opgelopen strafslagen omvat (zie Regel 3.1c).

 

Interpretation Stroke/1 - Determining If a Stroke Was Made

If a player starts the downswing with a club intending to strike the ball, his or her action counts as a stroke when:

  • The clubhead is deflected or stopped by an outside influence (such as the branch of a tree) whether or not the ball is struck.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, whether or not the ball is struck with the shaft.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, with the clubhead falling and striking the ball.

The player's action does not count as a stroke in each of following situations:

  • During the downswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player stops the downswing short of the ball, but the clubhead falls and strikes and moves the ball.
  • During the backswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player completes the downswing with the shaft but does not strike the ball.
  • A ball is lodged in a tree branch beyond the reach of a club. If the player moves the ball by striking a lower part of the branch instead of the ball, Rule 9.4 (Ball Lifted or Moved by Player) applies.
Stand

De positie van voeten en lichaam van de speler in voorbereiding op en voor het doen van een slag.

Dier

Ieder dierlijk levend wezen (anders dan mensen), waaronder zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren (zoals wormen, insecten, spinnen en schaaldieren).

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Bunker

Een speciaal bewerkt gebied met zand dat vaak een kuil is waaruit gras of aarde is verwijderd.

Geen onderdeel van de bunker zijn:

  • De lip, muur of wand aan de rand van een bewerkt gebied bestaand uit aarde, gras, gestapelde graszoden of kunstmatig materiaal.
  • Aarde of enige levende of vastzittende begroeiing binnen de grenzen van een bewerkt gebied (zoals gras, struiken of bomen).
  • Zand dat over de grens van het bewerkte gebied heen of daarbuiten ligt.
  • Alle andere gebieden met zand op de baan die niet binnen de grenzen van een bewerkt gebied liggen (zoals woestijn en andere natuurlijke gebieden met zand of gebieden die ook wel "waste areas" worden genoemd).

Bunkers zijn een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Een Commissie mag een bewerkt gebied met zand verklaren tot onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is) of mag een niet-bewerkt gebied met zand verklaren tot bunker.

Wanneer een bunker wordt hersteld en de Commissie de hele bunker tot grond in bewerking verklaart, wordt deze beschouwd als onderdeel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen bunker is).

Het woord "zand", zoals gebruikt in deze definitie en Regel 12 omvat elk materiaal vergelijkbaar met zand dat is gebruikt als bunkermateriaal (zoals gemalen schelpen) en ook elk soort grond dat is vermengd met zand.

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering

Het referentiepunt voor het ontwijken zonder straf van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid (Regel 16.1), een situatie met gevaarlijke dieren (Regel 16.2), een verkeerde green (Regel 13.1f) of een verboden speelzone (Regel 16.1f en 17.1e) of bij het handelen volgens een plaatselijke regel.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar, als de bal daar zou liggen, de belemmering die de speler wil ontwijken niet meer bestaat voor de slag zoals de speler die op de oorspronkelijke plek, zonder de belemmering, zou hebben gedaan.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering heeft alleen betrekking op de belemmering die de speler wil ontwijken en kan zich op een plek bevinden waar iets anders voor hinder zorgt:

  • Als de speler de belemmering ontwijkt en dan last heeft van een andere belemmering die mag worden ontweken, dan mag de speler opnieuw een dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering bepalen om deze nieuwe belemmering te ontwijken.
  • De belemmeringen moeten apart worden ontweken, behalve dat de speler de belemmeringen gezamenlijk in één keer mag ontwijken (door het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering voor beide belemmeringen te bepalen) wanneer het, na al een keer beide belemmeringen apart te hebben ontweken, redelijkerwijs duidelijk wordt dat hiermee doorgaan voortdurend leidt tot hinder door een van deze belemmeringen.

 

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/1 - Diagrams Illustrating Nearest Point of Complete Relief

In the diagrams, the term "nearest point of complete relief" in Rule 16.1 (Abnormal Course Conditions) for relief from interference by ground under repair is illustrated in the case of both a right-handed and a left-handed player.

The nearest point of complete relief must be strictly interpreted. A player is not allowed to choose on which side of the ground under repair the ball will be dropped, unless there are two equidistant nearest points of complete relief. Even if one side of the ground under repair is fairway and the other is bushes, if the nearest point of complete relief is in the bushes, then that is the player's nearest point of complete relief.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/2 – Player Does Not Follow Recommended Procedure in Determining Nearest Point of Complete Relief

Although there is a recommended procedure for determining the nearest point of complete relief, the Rules do not require a player to determine this point when taking relief under a relevant Rule (such as when taking relief from an abnormal course condition under Rule 16.1b (Relief for Ball in General Area)). If a player does not determine a nearest point of complete relief accurately or identifies an incorrect nearest point of complete relief, the player only gets a penalty if this results in him or her dropping a ball into a relief area that does not satisfy the requirements of the Rule and the ball is then played.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/3 – Whether Player Has Taken Relief Incorrectly If Condition Still Interferes for Stroke with Club Not Used to Determine Nearest Point of Complete Relief

When a player is taking relief from an abnormal course condition, he or she is taking relief only for interference that he or she had with the club, stance, swing and line of play that would have been used to play the ball from that spot. After the player has taken relief and there is no longer interference for the stroke the player would have made, any further interference is a new situation.

For example, the player's ball lies in heavy rough in the general area approximately 230 yards from the green. The player selects a wedge to make the next stroke and finds that his or her stance touches a line defining an area of ground under repair. The player determines the nearest point of complete relief and drops a ball in the prescribed relief area according to Rule 14.3b(3) (Ball Must Be Dropped in Relief Area) and Rule 16.1 (Relief from Abnormal Course Conditions).

The ball rolls into a good lie within the relief area from where the player believes that the next stroke could be played with a 3-wood. If the player used a wedge for the next stroke there would be no interference from the ground under repair. However, using the 3-wood, the player again touches the line defining the ground under repair with his or her foot. This is a new situation and the player may play the ball as it lies or take relief for the new situation.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/4 - Player Determines Nearest Point of Complete Relief but Is Physically Unable to Make Intended Stroke

The purpose of determining the nearest point of complete relief is to find a reference point in a location that is as near as possible to where the interfering condition no longer interferes. In determining the nearest point of complete relief, the player is not guaranteed a good or playable lie.

For example, if a player is unable to make a stroke from what appears to be the required relief area as measured from the nearest point of complete relief because either the direction of play is blocked by a tree, or the player is unable to take the backswing for the intended stroke due to a bush, this does not change the fact that the identified point is the nearest point of complete relief.

After the ball is in play, the player must then decide what type of stroke he or she will make. This stroke, which includes the choice of club, may be different than the one that would have been made from the ball's original spot had the condition not been there.

If it is not physically possible to drop the ball in any part of the identified relief area, the player is not allowed relief from the condition.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/5 - Player Physically Unable to Determine Nearest Point of Complete Relief

If a player is physically unable to determine his or her nearest point of complete relief, it must be estimated, and the relief area is then based on the estimated point.

For example, in taking relief under Rule 16.1, a player is physically unable to determine the nearest point of complete relief because that point is within the trunk of a tree or a boundary fence prevents the player from adopting the required stance.

The player must estimate the nearest point of complete relief and drop a ball in the identified relief area.

If it is not physically possible to drop the ball in the identified relief area, the player is not allowed relief under Rule 16.1.

Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Dier

Ieder dierlijk levend wezen (anders dan mensen), waaronder zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren (zoals wormen, insecten, spinnen en schaaldieren).

Hindernis

Een gebied dat de speler met één strafslag mag ontwijken als de bal van de speler erin terecht is gekomen.

Een hindernis is:

  • Elk wateroppervlak in de baan (ongeacht of het door de Commissie is gemarkeerd), zoals een zee, meer, vijver, sloot, afwateringssloot of andere open bedding (ongeacht of er water in staat).
  • Elk ander deel van de baan dat door de Commissie als hindernis is aangeduid.

Een hindernis is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan.

Er zijn twee soorten hindernissen te onderscheiden en wel door de kleur van de palen of geverfde lijnen waarmee ze zijn gemarkeerd:

  • Bij gele hindernissen (gemarkeerd met gele lijnen of gele palen) heeft de speler twee ontwijkopties (Regel 17.1d(1) en (2)).
  • Bij rode hindernissen (gemarkeerd met rode lijnen of rode palen) heeft de speler naast de twee ontwijkopties voor de gele hindernissen nog een extra optie om zijwaarts te ontwijken. (Regel 17.1d(3)).

Als een hindernis niet met een kleur is aangeven door de Commissie, dan wordt deze beschouwd als een rode hindernis.

De grens van een hindernis loopt loodrecht omhoog en omlaag:

  • Dit betekent dat alle grond en andere dingen (zoals natuurlijke en kunstmatige voorwerpen) binnen de grenzen deel zijn van de hindernis, ongeacht of ze zich op, boven of onder het grondoppervlak bevinden.
  • Als een voorwerp zich zowel binnen als buiten de grens bevindt (zoals een brug over een hindernis of een boom die binnen een hindernis staat maar takken buiten het gebied heeft of vice versa), dan maakt alleen dat deel van het voorwerp dat zich binnen de grens bevindt deel uit van de hindernis.

De grens van een hindernis behoort te zijn afgebakend met palen, lijnen of fysieke kenmerken:

  • Palen: in het geval van palen wordt de grens van de hindernis bepaald door de lijn tussen de buitenkanten (gezien vanuit de hindernis) van die palen op grondhoogte en staan die palen zelf in de hindernis.
  • Lijnen: in het geval van geverfde lijnen op de grond wordt de grens van de hindernis de buitenrand van de lijn en liggen die lijnen zelf in de hindernis.
  • Fysieke kenmerken: in het geval van fysieke kenmerken (zoals een strand of woestijn of een muur) behoort de Commissie te publiceren hoe de grens van de hindernis is bepaald.

Wanneer de grens van een hindernis is gemarkeerd met lijnen of fysieke kenmerken, kunnen palen worden gebruikt om aan te geven waar de hindernis zich bevindt, maar zij hebben verder geen betekenis.

Wanneer de grens van een wateroppervlak niet is aangeduid door de Commissie, wordt de grens van die hindernis bepaald door de natuurlijke grenzen (die worden gevormd door de rand waar de grond knikt en naar beneden afloopt en de verdieping vormt waar water in kan staan).

Als een open waterloop normaal geen water bevat (zoals een drainagesloot of greppel die droog is behalve tijdens het regenseizoen), mag de Commissie dat deel aanduiden als deel van het algemene gebied (wat betekent dat het geen hindernis is).

Dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering

Het referentiepunt voor het ontwijken zonder straf van een belemmering door een abnormale baanomstandigheid (Regel 16.1), een situatie met gevaarlijke dieren (Regel 16.2), een verkeerde green (Regel 13.1f) of een verboden speelzone (Regel 16.1f en 17.1e) of bij het handelen volgens een plaatselijke regel.

Het is het bij benadering vastgestelde punt dat als de bal daar zou liggen:

  • het dichtst bij de oorspronkelijke plek van de bal is, maar niet dichter bij de hole dan die plek;
  • in het vereiste gebied van de baan ligt, en
  • waar, als de bal daar zou liggen, de belemmering die de speler wil ontwijken niet meer bestaat voor de slag zoals de speler die op de oorspronkelijke plek, zonder de belemmering, zou hebben gedaan.

Om dit referentiepunt te bepalen, moet de speler vaststellen met welke club, stand, swing en speellijn hij of zij de slag zou hebben gedaan.

Het is niet verplicht voor de speler om de slag te simuleren door echt een stand in te nemen en met de gekozen club een swing te maken (maar het wordt aanbevolen om dit doorgaans wel te doen om een zo nauwkeurig mogelijk het referentiepunt te kunnen bepalen).

Het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering heeft alleen betrekking op de belemmering die de speler wil ontwijken en kan zich op een plek bevinden waar iets anders voor hinder zorgt:

  • Als de speler de belemmering ontwijkt en dan last heeft van een andere belemmering die mag worden ontweken, dan mag de speler opnieuw een dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering bepalen om deze nieuwe belemmering te ontwijken.
  • De belemmeringen moeten apart worden ontweken, behalve dat de speler de belemmeringen gezamenlijk in één keer mag ontwijken (door het dichtstbijzijnde punt zonder enige belemmering voor beide belemmeringen te bepalen) wanneer het, na al een keer beide belemmeringen apart te hebben ontweken, redelijkerwijs duidelijk wordt dat hiermee doorgaan voortdurend leidt tot hinder door een van deze belemmeringen.

 

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/1 - Diagrams Illustrating Nearest Point of Complete Relief

In the diagrams, the term "nearest point of complete relief" in Rule 16.1 (Abnormal Course Conditions) for relief from interference by ground under repair is illustrated in the case of both a right-handed and a left-handed player.

The nearest point of complete relief must be strictly interpreted. A player is not allowed to choose on which side of the ground under repair the ball will be dropped, unless there are two equidistant nearest points of complete relief. Even if one side of the ground under repair is fairway and the other is bushes, if the nearest point of complete relief is in the bushes, then that is the player's nearest point of complete relief.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/2 – Player Does Not Follow Recommended Procedure in Determining Nearest Point of Complete Relief

Although there is a recommended procedure for determining the nearest point of complete relief, the Rules do not require a player to determine this point when taking relief under a relevant Rule (such as when taking relief from an abnormal course condition under Rule 16.1b (Relief for Ball in General Area)). If a player does not determine a nearest point of complete relief accurately or identifies an incorrect nearest point of complete relief, the player only gets a penalty if this results in him or her dropping a ball into a relief area that does not satisfy the requirements of the Rule and the ball is then played.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/3 – Whether Player Has Taken Relief Incorrectly If Condition Still Interferes for Stroke with Club Not Used to Determine Nearest Point of Complete Relief

When a player is taking relief from an abnormal course condition, he or she is taking relief only for interference that he or she had with the club, stance, swing and line of play that would have been used to play the ball from that spot. After the player has taken relief and there is no longer interference for the stroke the player would have made, any further interference is a new situation.

For example, the player's ball lies in heavy rough in the general area approximately 230 yards from the green. The player selects a wedge to make the next stroke and finds that his or her stance touches a line defining an area of ground under repair. The player determines the nearest point of complete relief and drops a ball in the prescribed relief area according to Rule 14.3b(3) (Ball Must Be Dropped in Relief Area) and Rule 16.1 (Relief from Abnormal Course Conditions).

The ball rolls into a good lie within the relief area from where the player believes that the next stroke could be played with a 3-wood. If the player used a wedge for the next stroke there would be no interference from the ground under repair. However, using the 3-wood, the player again touches the line defining the ground under repair with his or her foot. This is a new situation and the player may play the ball as it lies or take relief for the new situation.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/4 - Player Determines Nearest Point of Complete Relief but Is Physically Unable to Make Intended Stroke

The purpose of determining the nearest point of complete relief is to find a reference point in a location that is as near as possible to where the interfering condition no longer interferes. In determining the nearest point of complete relief, the player is not guaranteed a good or playable lie.

For example, if a player is unable to make a stroke from what appears to be the required relief area as measured from the nearest point of complete relief because either the direction of play is blocked by a tree, or the player is unable to take the backswing for the intended stroke due to a bush, this does not change the fact that the identified point is the nearest point of complete relief.

After the ball is in play, the player must then decide what type of stroke he or she will make. This stroke, which includes the choice of club, may be different than the one that would have been made from the ball's original spot had the condition not been there.

If it is not physically possible to drop the ball in any part of the identified relief area, the player is not allowed relief from the condition.

Interpretation Nearest Point of Complete Relief/5 - Player Physically Unable to Determine Nearest Point of Complete Relief

If a player is physically unable to determine his or her nearest point of complete relief, it must be estimated, and the relief area is then based on the estimated point.

For example, in taking relief under Rule 16.1, a player is physically unable to determine the nearest point of complete relief because that point is within the trunk of a tree or a boundary fence prevents the player from adopting the required stance.

The player must estimate the nearest point of complete relief and drop a ball in the identified relief area.

If it is not physically possible to drop the ball in the identified relief area, the player is not allowed relief under Rule 16.1.

Hole

Het eindpunt op de green van de hole die wordt gespeeld:

  • De hole moet 4¼ inches (108 mm) in diameter zijn en ten minste 4 inches (101,6 mm) diep.
  • Als een inzetstuk wordt gebruikt, mag de buitendiameter niet groter zijn dan 4¼ inches (108 mm). Het inzetstuk moet ten minste 1 inch (25,4 mm) onder het oppervlak van de green liggen, tenzij de gesteldheid van de bodem vereist dat deze dichter bij het oppervlak zit.

Het woord “hole” wordt (wanneer niet gebruikt als een cursiefgedrukte definitie) in de regels gebruikt als het onderdeel van de baan dat bestaat uit een specifieke afslagplaats, green en hole. Het spelen van een hole begint op de afslagplaats en eindigt wanneer de bal is uitgeholed op de green (of wanneer de hole anders is uitgespeeld volgens de regels).

 

Dier

Ieder dierlijk levend wezen (anders dan mensen), waaronder zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en ongewervelde dieren (zoals wormen, insecten, spinnen en schaaldieren).

Verkeerde plaats

Iedere andere plaats op de baan dan waar de speler volgens de regels zijn of haar bal moet of mag spelen.

Voorbeelden van het spelen van een verkeerde plaats zijn:

  • Het spelen van een bal na het terugplaatsen op de verkeerde plek of zonder deze terug te plaatsen als de regels dat vereisen.
  • Het spelen van een gedropte bal buiten de vereiste dropzone.
  • Het volgens een verkeerde regel zodanig ontwijken van een belemmering dat de bal is gedropt op en gespeeld van een plaats die niet is toegestaan volgens de regels.
  • Het spelen van een bal uit een verboden speelzone of vanaf een plek waar een verboden speelzone een belemmering vormt voor de stand van de speler of voor de ruimte van zijn voorgenomen swing.

Het spelen van een bal van buiten de afslagplaats bij het beginnen van een hole of bij het herstellen van deze vergissing is niet spelen van de verkeerde plaats (zie Regel 6.1b).

Algemene straf.

Verlies van de hole bij matchplay of twee strafslagen bij strokeplay.

Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Markeren

De plek aangeven waar een bal stilligt door:

  • een balmarker neer te leggen direct achter of direct naast de bal, of
  • een club op de grond te zetten direct achter of direct naast de bal.

Dit wordt gedaan om de plek aan te geven waar de bal moet worden teruggeplaatst nadat hij is opgenomen.

Terugplaatsen

Het plaatsen van een bal door deze neer te leggen en los te laten met de bedoeling de bal in het spel te brengen.

Als een speler een bal neerlegt zonder de bedoeling deze in het spel te brengen, is de bal niet teruggeplaatst en is deze niet in het spel (zie Regel 14.4).

Wanneer een regel vereist dat een bal wordt teruggeplaatst, dan bepaalt deze regel de specifieke plek waar de bal moet worden teruggeplaatst.

 

Interpretation Replace/1 - Ball May Not Be Replaced with a Club

For a ball to be replaced in a right way, it must be set down and let go. This means the player must use his or her hand to put the ball back in play on the spot it was lifted or moved from.

For example, if a player lifts his or her ball from the putting green and sets it aside, the player must not replace the ball by rolling it to the required spot with a club. If he or she does so, the ball is not replaced in the right way and the player gets one penalty stroke under Rule 14.2b(2) (How Ball Must Be Replaced) if the mistake is not corrected before the stroke is made.

Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Slag

De voorwaartse beweging van de club om de bal te slaan.

Echter er is geen slag gedaan als de speler:

  • Tijdens de neerzwaai bewust besluit om de bal niet te slaan en dit ook voorkomt door de kop van de club tegen te houden voordat deze bij de bal komt of, als dit niet lukt, in ieder geval opzettelijk de bal mist.
  • Per ongeluk de bal raakt bij het maken van een oefenswing of in de voorbereiding om een slag te doen.

Wanneer er in de regels wordt gesproken over "het spelen van een bal", dan betekent dit hetzelfde als het doen van een slag.

De score van een speler voor een hole of een ronde wordt met ‘slagen’ of ‘aantal slagen’ aangegeven, wat zowel het aantal gespeelde slagen als de opgelopen strafslagen omvat (zie Regel 3.1c).

 

Interpretation Stroke/1 - Determining If a Stroke Was Made

If a player starts the downswing with a club intending to strike the ball, his or her action counts as a stroke when:

  • The clubhead is deflected or stopped by an outside influence (such as the branch of a tree) whether or not the ball is struck.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, whether or not the ball is struck with the shaft.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, with the clubhead falling and striking the ball.

The player's action does not count as a stroke in each of following situations:

  • During the downswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player stops the downswing short of the ball, but the clubhead falls and strikes and moves the ball.
  • During the backswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player completes the downswing with the shaft but does not strike the ball.
  • A ball is lodged in a tree branch beyond the reach of a club. If the player moves the ball by striking a lower part of the branch instead of the ball, Rule 9.4 (Ball Lifted or Moved by Player) applies.
Slag

De voorwaartse beweging van de club om de bal te slaan.

Echter er is geen slag gedaan als de speler:

  • Tijdens de neerzwaai bewust besluit om de bal niet te slaan en dit ook voorkomt door de kop van de club tegen te houden voordat deze bij de bal komt of, als dit niet lukt, in ieder geval opzettelijk de bal mist.
  • Per ongeluk de bal raakt bij het maken van een oefenswing of in de voorbereiding om een slag te doen.

Wanneer er in de regels wordt gesproken over "het spelen van een bal", dan betekent dit hetzelfde als het doen van een slag.

De score van een speler voor een hole of een ronde wordt met ‘slagen’ of ‘aantal slagen’ aangegeven, wat zowel het aantal gespeelde slagen als de opgelopen strafslagen omvat (zie Regel 3.1c).

 

Interpretation Stroke/1 - Determining If a Stroke Was Made

If a player starts the downswing with a club intending to strike the ball, his or her action counts as a stroke when:

  • The clubhead is deflected or stopped by an outside influence (such as the branch of a tree) whether or not the ball is struck.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, whether or not the ball is struck with the shaft.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, with the clubhead falling and striking the ball.

The player's action does not count as a stroke in each of following situations:

  • During the downswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player stops the downswing short of the ball, but the clubhead falls and strikes and moves the ball.
  • During the backswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player completes the downswing with the shaft but does not strike the ball.
  • A ball is lodged in a tree branch beyond the reach of a club. If the player moves the ball by striking a lower part of the branch instead of the ball, Rule 9.4 (Ball Lifted or Moved by Player) applies.
Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Slag

De voorwaartse beweging van de club om de bal te slaan.

Echter er is geen slag gedaan als de speler:

  • Tijdens de neerzwaai bewust besluit om de bal niet te slaan en dit ook voorkomt door de kop van de club tegen te houden voordat deze bij de bal komt of, als dit niet lukt, in ieder geval opzettelijk de bal mist.
  • Per ongeluk de bal raakt bij het maken van een oefenswing of in de voorbereiding om een slag te doen.

Wanneer er in de regels wordt gesproken over "het spelen van een bal", dan betekent dit hetzelfde als het doen van een slag.

De score van een speler voor een hole of een ronde wordt met ‘slagen’ of ‘aantal slagen’ aangegeven, wat zowel het aantal gespeelde slagen als de opgelopen strafslagen omvat (zie Regel 3.1c).

 

Interpretation Stroke/1 - Determining If a Stroke Was Made

If a player starts the downswing with a club intending to strike the ball, his or her action counts as a stroke when:

  • The clubhead is deflected or stopped by an outside influence (such as the branch of a tree) whether or not the ball is struck.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, whether or not the ball is struck with the shaft.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, with the clubhead falling and striking the ball.

The player's action does not count as a stroke in each of following situations:

  • During the downswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player stops the downswing short of the ball, but the clubhead falls and strikes and moves the ball.
  • During the backswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player completes the downswing with the shaft but does not strike the ball.
  • A ball is lodged in a tree branch beyond the reach of a club. If the player moves the ball by striking a lower part of the branch instead of the ball, Rule 9.4 (Ball Lifted or Moved by Player) applies.
Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Slag

De voorwaartse beweging van de club om de bal te slaan.

Echter er is geen slag gedaan als de speler:

  • Tijdens de neerzwaai bewust besluit om de bal niet te slaan en dit ook voorkomt door de kop van de club tegen te houden voordat deze bij de bal komt of, als dit niet lukt, in ieder geval opzettelijk de bal mist.
  • Per ongeluk de bal raakt bij het maken van een oefenswing of in de voorbereiding om een slag te doen.

Wanneer er in de regels wordt gesproken over "het spelen van een bal", dan betekent dit hetzelfde als het doen van een slag.

De score van een speler voor een hole of een ronde wordt met ‘slagen’ of ‘aantal slagen’ aangegeven, wat zowel het aantal gespeelde slagen als de opgelopen strafslagen omvat (zie Regel 3.1c).

 

Interpretation Stroke/1 - Determining If a Stroke Was Made

If a player starts the downswing with a club intending to strike the ball, his or her action counts as a stroke when:

  • The clubhead is deflected or stopped by an outside influence (such as the branch of a tree) whether or not the ball is struck.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, whether or not the ball is struck with the shaft.
  • The clubhead separates from the shaft during the downswing and the player continues the downswing with the shaft alone, with the clubhead falling and striking the ball.

The player's action does not count as a stroke in each of following situations:

  • During the downswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player stops the downswing short of the ball, but the clubhead falls and strikes and moves the ball.
  • During the backswing, a player's clubhead separates from the shaft. The player completes the downswing with the shaft but does not strike the ball.
  • A ball is lodged in a tree branch beyond the reach of a club. If the player moves the ball by striking a lower part of the branch instead of the ball, Rule 9.4 (Ball Lifted or Moved by Player) applies.
Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Droppen

De bal uit de hand loslaten zodat deze door de lucht valt, met de bedoeling dat de bal in het spel komt.

Als speler een bal loslaat zonder de bedoeling dat deze in het spel komt, is de bal niet gedropt en niet in het spel (zie Regel 14.4).

Iedere Regel voor ontwijken bepaalt een eigen dropzone waar de bal moet worden gedropt en tot stilstand moet komen.

Bij het uitwijken droppen moet de speler de bal loslaten op kniehoogte zodanig dat de bal:

  • Recht naar beneden valt, zonder dat de speler hem gooit, draait of rolt of enige andere beweging gebruikt die zou kunnen beïnvloeden waar de bal tot stilstand komt.
  • Nergens het lichaam of de uitrusting van de speler raakt voordat hij de grond raakt (zie Regel 14.3b).
Dropzone

Het gebied waar een speler een bal moet droppen bij het ontwijken van een belemmering volgens een regel. Iedere regel over belemmeringen schrijft voor dat de speler een specifieke dropzone gebruikt, waarvan de afmeting en plaats zijn gebaseerd op de volgende criteria:

  • Referentiepunt: Het punt van waar de afmeting van de dropzone worden gemeten.
  • Afmeting van de dropzone gemeten vanaf het referentiepunt: De dropzone is één of twee clublengten vanaf het referentie punt, maar met bepaalde beperkingen:
  • Beperkingen voor de plaats van de dropzone: De plaats van de dropzone kan op één of meer manieren zijn beperkt, zodat bijvoorbeeld:
    • Deze zich alleen in bepaalde gedefinieerde gebieden van de baan bevindt, zoals alleen in het algemene gebied, maar niet in een bunker of een hindernis.
    • Deze niet dichter bij de hole is dan het referentiepunt of buiten de hindernis of de bunker die wordt ontweken moet zijn.
    • Deze zich bevindt waar er geen belemmering bestaat (zoals bepaald in de desbetreffende regel) van de belemmering die wordt ontweken.

Bij het gebruiken van clublengten om de afmeting van de dropzone te bepalen, mag de speler direct over een sloot, gat en dergelijke meten. Ook mag de speler direct over of door een voorwerp (zoals een boom, hek, muur, tunnel, drainage of sprinklerkop) meten, maar het is niet toegestaan om door grond te meten die op een natuurlijke wijze is geonduleerd.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 2I (De Commissie mag ervoor kiezen om toe te staan of te verplichten dat de speler gebruikmaakt van een speciaal aangewezen dropzone als een bepaalde belemmering wordt ontweken).


Clarification - Determining Whether Ball in Relief Area

When determining whether a ball has come to rest within a relief area (i.e. either one or two club-lengths from the reference point depending on the Rule being applied), the ball is in the relief area if any part of the ball is within the one or two club-length measurement. However, a ball is not in a relief area if any part of the ball is nearer the hole than the reference point or when any part of the ball has interference from the condition from which free relief is taken.
(Clarification added 12/2018)

Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Clublengte

De lengte van de langste club van de 14 (of minder) clubs die de speler bij zich heeft tijdens de ronde (zoals toegestaan in Regel 4.1b(1)) anders dan een putter.

Bijvoorbeeld als de langste club (anders dan een putter) die een speler bij zich heeft tijdens een ronde een driver is van 43 inch (109,22 cm), dan is 43 inch (109,22 cm) de clublengte voor die speler voor die ronde.

Clublengtes worden gebruikt om de afslagplaats te bepalen op de hole die wordt gespeeld en de afmeting van de dropzone vast te stellen als de speler een belemmering ontwijkt volgens een Regel.

 

Interpretation Club-Length/1 - Meaning of "Club-Length" When Measuring

For the purposes of measuring when determining a relief area, the length of the entire club, starting at the toe of the club and ending at the butt end of the grip is used. However, if the club has a headcover on it or has an attachment to the end of the grip, neither is allowed to be used as part of the club when using it to measure.

Interpretation Club-Length/2 - How to Measure When Longest Club Breaks

If the longest club a player has during a round breaks, that broken club continues to be used for determining the size of his or her relief areas. However, if the longest club breaks and the player is allowed to replace it with another club (Exception to Rule 4.1b(3)) and he or she does so, the broken club is no longer considered his or her longest club.

If the player starts a round with fewer than 14 clubs and decides to add another club that is longer than the clubs he or she started with, the added club is used for measuring so long as it is not a putter.

Clarification - Meaning of “Club-Length” When Playing with Partner

In partner forms of play, either partner’s longest club, except a putter, may be used for defining the teeing area or determining the size of a relief area.
(Clarification added 12/2018)

Algemeen gebied

Het gebied van de baan dat de hele baan omvat, behalve de overige vier gedefinieerde gebieden: (1) de afslagplaats waarvan de speler moet spelen bij aanvang van de hole die hij of zij speelt, (2) alle  hindernissen, (3) alle bunkers en (4) de green van de hole die de speler speelt.

Het algemene gebied omvat ook:

  • alle afslaglocaties op de baan anders dan de afslagplaats, en
  • alle verkeerde greens.
Hole

Het eindpunt op de green van de hole die wordt gespeeld:

  • De hole moet 4¼ inches (108 mm) in diameter zijn en ten minste 4 inches (101,6 mm) diep.
  • Als een inzetstuk wordt gebruikt, mag de buitendiameter niet groter zijn dan 4¼ inches (108 mm). Het inzetstuk moet ten minste 1 inch (25,4 mm) onder het oppervlak van de green liggen, tenzij de gesteldheid van de bodem vereist dat deze dichter bij het oppervlak zit.

Het woord “hole” wordt (wanneer niet gebruikt als een cursiefgedrukte definitie) in de regels gebruikt als het onderdeel van de baan dat bestaat uit een specifieke afslagplaats, green en hole. Het spelen van een hole begint op de afslagplaats en eindigt wanneer de bal is uitgeholed op de green (of wanneer de hole anders is uitgespeeld volgens de regels).

 

Commissie

De persoon of groep verantwoordelijk voor de wedstrijd of de baan.

Zie Commissie Procedures, Hoofdstuk 1 (uitleg van de rol van de Commissie).

Ingebed

De bal is ingebed wanneer deze als gevolg van de vorige slag van de speler in zijn eigen pitchmark ligt zodanig dat enig deel van de bal zich onder het grondoppervlak bevindt.

Om ingebed te zijn, is het niet noodzakelijk dat de bal aarde raakt (er mag bijvoorbeeld gras of losse natuurlijke voorwerpen tussen de bal en de aarde zitten).

Verkeerde plaats

Iedere andere plaats op de baan dan waar de speler volgens de regels zijn of haar bal moet of mag spelen.

Voorbeelden van het spelen van een verkeerde plaats zijn:

  • Het spelen van een bal na het terugplaatsen op de verkeerde plek of zonder deze terug te plaatsen als de regels dat vereisen.
  • Het spelen van een gedropte bal buiten de vereiste dropzone.
  • Het volgens een verkeerde regel zodanig ontwijken van een belemmering dat de bal is gedropt op en gespeeld van een plaats die niet is toegestaan volgens de regels.
  • Het spelen van een bal uit een verboden speelzone of vanaf een plek waar een verboden speelzone een belemmering vormt voor de stand van de speler of voor de ruimte van zijn voorgenomen swing.

Het spelen van een bal van buiten de afslagplaats bij het beginnen van een hole of bij het herstellen van deze vergissing is niet spelen van de verkeerde plaats (zie Regel 6.1b).

Algemene straf.

Verlies van de hole bij matchplay of twee strafslagen bij strokeplay.

Markeren

De plek aangeven waar een bal stilligt door:

  • een balmarker neer te leggen direct achter of direct naast de bal, of
  • een club op de grond te zetten direct achter of direct naast de bal.

Dit wordt gedaan om de plek aan te geven waar de bal moet worden teruggeplaatst nadat hij is opgenomen.

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Green

De green is dat gedeelte van de hole die wordt gespeeld dat:

  • speciaal is geprepareerd voor het putten, of
  • door de Commissie als green is aangewezen (bijvoorbeeld wanneer een tijdelijke green in gebruik is).

Op de green bevindt zich de hole waarin de speler zijn bal probeert te slaan. De green is een van de vijf gedefinieerde gebieden van de baan. De greens van alle andere holes (die de speler op dat moment niet speelt) zijn verkeerde greens en onderdeel van het algemene gebied.

De grens van een green wordt bepaald door waar men kan zien dat het speciaal geprepareerde gebied begint (zoals daar waar het gras een duidelijk rand vertoont), tenzij de Commissie de grens op een andere manier afbakent (bijvoorbeeld met lijnen of stippen).

Als een dubbele green in gebruik is voor twee verschillende holes:

  • Dan wordt het gehele geprepareerde gebied dat beide holes omvat beschouwd als de green bij het spelen van elke hole.

Echter de Commissie mag een grens aangeven die de dubbele green in twee verschillende greens verdeelt, zodat wanneer een speler een van beide holes speelt, het deel van de dubbele green voor de andere hole een verkeerde green is.

Markeren

De plek aangeven waar een bal stilligt door:

  • een balmarker neer te leggen direct achter of direct naast de bal, of
  • een club op de grond te zetten direct achter of direct naast de bal.

Dit wordt gedaan om de plek aan te geven waar de bal moet worden teruggeplaatst nadat hij is opgenomen.

Markeren

De plek aangeven waar een bal stilligt door:

  • een balmarker neer te leggen direct achter of direct naast de bal, of
  • een club op de grond te zetten direct achter of direct naast de bal.

Dit wordt gedaan om de plek aan te geven waar de bal moet worden teruggeplaatst nadat hij is opgenomen.

Terugplaatsen

Het plaatsen van een bal door deze neer te leggen en los te laten met de bedoeling de bal in het spel te brengen.

Als een speler een bal neerlegt zonder de bedoeling deze in het spel te brengen, is de bal niet teruggeplaatst en is deze niet in het spel (zie Regel 14.4).

Wanneer een regel vereist dat een bal wordt teruggeplaatst, dan bepaalt deze regel de specifieke plek waar de bal moet worden teruggeplaatst.

 

Interpretation Replace/1 - Ball May Not Be Replaced with a Club

For a ball to be replaced in a right way, it must be set down and let go. This means the player must use his or her hand to put the ball back in play on the spot it was lifted or moved from.

For example, if a player lifts his or her ball from the putting green and sets it aside, the player must not replace the ball by rolling it to the required spot with a club. If he or she does so, the ball is not replaced in the right way and the player gets one penalty stroke under Rule 14.2b(2) (How Ball Must Be Replaced) if the mistake is not corrected before the stroke is made.

Vervangen

De bal die een speler gebruikt om een hole te spelen vervangen door een andere bal in het spel te brengen.

Een bal is vervangen wanneer de speler op enigerlei wijze (zie Regel 14.4) een ander bal in het spel brengt in plaats van de oorspronkelijke bal van de speler, ongeacht of de oorspronkelijke bal:

  • in het spel was, of
  • Niet langer in het spel was, omdat deze opgenomen, verloren of buiten de baan was.

Een vervangende bal is de spelers bal in het spel zelfs als:

  • deze op een verkeerde manier of verkeerde plaats is teruggeplaatst, geplaatst of gedropt, of
  • de regels vereisen dat de speler de oorspronkelijke bal terug in het spel moest brengen in plaats van deze te vervangen door een andere bal.
Verkeerde plaats

Iedere andere plaats op de baan dan waar de speler volgens de regels zijn of haar bal moet of mag spelen.

Voorbeelden van het spelen van een verkeerde plaats zijn:

  • Het spelen van een bal na het terugplaatsen op de verkeerde plek of zonder deze terug te plaatsen als de regels dat vereisen.
  • Het spelen van een gedropte bal buiten de vereiste dropzone.
  • Het volgens een verkeerde regel zodanig ontwijken van een belemmering dat de bal is gedropt op en gespeeld van een plaats die niet is toegestaan volgens de regels.
  • Het spelen van een bal uit een verboden speelzone of vanaf een plek waar een verboden speelzone een belemmering vormt voor de stand van de speler of voor de ruimte van zijn voorgenomen swing.

Het spelen van een bal van buiten de afslagplaats bij het beginnen van een hole of bij het herstellen van deze vergissing is niet spelen van de verkeerde plaats (zie Regel 6.1b).

Algemene straf.

Verlies van de hole bij matchplay of twee strafslagen bij strokeplay.